Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.3.1:2.6.3.1 De relatieve en absolute draagplicht
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.6.3.1
2.6.3.1 De relatieve en absolute draagplicht
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS583883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535, m.nt. Brunner (DES-dochters); Van Boom 1999, p. 151.
Van Boom 1999, p. 151.
Van Boom gebruikt de termen onderlinge draagplicht en interne draagplicht. Van Boom 1999, p. 151.
Vgl. art. 6:102 jo 101 BW.
RG DR 1940, 453; BGHZ 03 februari 1954, NJW 1954, 875.
Koch, NJW 1967, 181.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het toepassen van een maatstaf leidt tot een interne verdeling van de schuld. Onderdeel van het toepassen van een maatstaf is dat besloten wordt tussen welke schuldenaren de maatstaf werking heeft. Dit aspect van draagplichtverdeling wordt niet vaak besproken in de literatuur en de rechtspraak.1 Op basis van de literatuur lijken er twee opties te bestaan.2 Enerzijds is het mogelijk om een systeem van relatieve draagplicht toe te passen, anderzijds kan een systeem van absolute draagplicht worden gebruikt.
Bij relatieve draagplicht wordt het aandeel in de schuld dat de ene schuldenaar heeft ten opzichte van de andere schuldenaar, uitgedrukt als grootheid die in verhouding staat tot het aandeel van zijn medeschuldenaar. Bij absolute draagplicht wordt het aandeel dat een schuldenaar heeft ten opzichte van een medeschuldenaar uitgedrukt als deel van de schuld. Anders gesteld: wanneer bij medeschuldenaren A, B, en C, A, B aanspreekt, kan de draagplicht gewaardeerd worden door (I) alleen hun onderlinge verhouding als uitgangspunt te nemen of door (II) de interne verhouding tussen alle schuldenaren in acht te nemen.
Een voorbeeld. A, B en C zijn hoofdelijk verbonden voor een schuld ad € 6000, de omvang van hun draagplicht is evenredig en A betaalt de gehele schuld aan de schuldeiser. Het aandeel dat de schuldenaren in de schuld hebben staat in een verhouding van 1 ten opzichte van elkaar. Wordt het aandeel echter uitgedrukt als deel van de schuld dan moet iedere schuldenaar intern 1/3 aan de schuld bijdragen. Het individuele aandeel wordt in dit geval in de onderlinge verhouding tussen de schuldenaren afgezet ten opzichte van de totale schuld. Dit leidt tot een integrale benadering van regresuitoefening, een absolute bepaling van de draagplicht.3 Oftewel; A : B : C = 1 : 1 : 1 = 1/3 : 1/3 : 1/3. Dit betekent dat conform de absolute draagplicht, waar de totale schuld als uitgangspunt dient, B 1/3, namelijk € 2000, moet bijdragen. Echter, wanneer A schuldenaar B aanspreekt, bedraagt de relatieve draagplicht van B de helft van de schuld, € 3000. Immers A en B staan in een 1 : 1 verhouding tot elkaar. Het mag duidelijk zijn dat beiden € 1000 boven hun eigenlijke aandeel betalen. Daarom zou het voor A en B mogelijk moeten zijn om ieder voor € 1000 regres te nemen op C.
In tegenstelling tot de Nederlandse literatuur en rechtspraak is de Duitse rechtstheorie een stuk uitgebreider over deze materie. Met name in geval van draagplicht bij schade die mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.4 Voor deze situatie zijn drie zienswijzen ontwikkeld. De Einzelabwägung5, de Gesamtschau6 en de Kombinationstheorie7.