Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.5
2.2.5 Wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de Tweede richtlijn schade en de Tweede richtlijn leven (1990 en 1992)
12
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950486:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 20 juni 1990, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn schadeverzekering (Staatsblad 1990, 337).
Wet van 1 juli 1992 tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn levensverzekering (Staatsblad 1992, 441).
Tweede Richtlijn van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 73/239/EEG (88/357/EEG) (PbEU 1988, L 172/1).
Tweede Richtlijn van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 79/267/EEG (90/619/EEG) (PbEU 1990, L 330/50).
Boshuizen 1998, p. 88.
Art. 11 lid 2 Tweede schaderichtlijn: “Elke Lid-Staat verleent, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen toestemming voor de gehele of gedeeltelijke overdracht van hun portefeuille met overeenkomsten waarvoor deze Lid-Staat de Lid-Staat is waar het risico is gelegen, aan een in dezelfde Lid-Staat gevestigde overnemende onderneming (…)”.
Art. 11 lid 4 Tweede schaderichtlijn: “Elke Lid-Staat verleent, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen toestemming voor gehele of gedeeltelijke overdracht van hun portefeuille met overeenkomsten die zijn gesloten in de in artikel 12, lid 1, bedoelde omstandigheden, aan een in dezelfde Lid-Staat gevestigde overnemende onderneming (…)” juncto art. 12 lid 1 Tweede schaderichtlijn: “(…) wanneer een onderneming vanuit een in een Lid-Staat gelegen vestiging een risico dekt dat (…) is gelegen in een andere Lid-Staat; (…)”.
Art. 11 lid 3 Tweede schaderichtlijn: “Elke Lid-Staat verleent, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen toestemming voor gehele of gedeeltelijke overdracht van hun portefeuille met overeenkomsten die zijn gesloten in de in artikel 12, lid 1, bedoelde omstandigheden, aan een in de Lid-Staat van dienstverrichting gevestigde overnemende onderneming (...)” juncto art. 12 lid 1 Tweede schaderichtlijn: “(…) wanneer een onderneming vanuit een in een Lid-Staat gelegen vestiging een risico dekt dat (…) is gelegen in een andere Lid-Staat; (…)”.
Art. 53 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf: “De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers zijn gedurende negentig dagen na dagtekening van de Nederlandse Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst, bevoegd de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk op te zeggen met ingang van de eenennegentigste dag na die dagtekening. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoorbedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie werd betaald.”
Kamerstukken II 1989/90, 21344, nr. 3, p. 29 (MvT).
Namelijk in art. 52 lid 2, 3 en 4 en art. 53b lid 1 juncto artikel 52, eerste tot en met vierde lid, Wet toezicht verzekeringsbedrijf. Zo ging art. 52 lid 2 Wet toezicht verzekeringsbedrijf in 1990 bijvoorbeeld als volgt luiden: “De Verzekeringskamer verleent geen toestemming voor een overdracht indien de overnemende verzekeraar met zetel in Nederland, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet de vereiste solvabiliteitsmarge bezit.”
Kamerstukken II 1989/90, 21344, nr. 3, p. 28-29. Een tekst met dezelfde strekking is opgenomen in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de Tweede levenrichtlijn. Dit betreft Kamerstukken II 1991/92, 22395, nr. 3, p. 25-26.
De Eerste schaderichtlijn werd gevolgd door de Tweede schaderichtlijn3 en de Eerste levenrichtlijn door de Tweede levenrichtlijn4. Met de tweede generatie verzekeringsrichtlijnen werd beantwoord aan het communautaire streven naar vrije dienstverrichting binnen de Europese Unie. Onder vrije dienstverrichting moet in dit verband worden verstaan het door een schadeverzekeraar in een bepaalde lidstaat verzekeren van in een andere lidstaat gelegen risico’s, dan wel het door een levensverzekeraar sluiten van levensverzekeringen met ingezetenen in een andere lidstaat.5 De Tweede schaderichtlijn en de Tweede levenrichtlijn bevatten voorschriften over portefeuilleoverdracht waarbij rekening was gehouden met vrije dienstverrichting. De regeling van de portefeuilleoverdracht in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf werd daarom eerst ten aanzien van de overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille en vervolgens voor een levensverzekeringsportefeuille uitgebreid met bepalingen over een portefeuilleoverdracht van een dienstverrichtingsportefeuille.
Art. 51 lid 1 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf werd (in 1990) aangepast in verband met het bepaalde in art. 11 lid 26 van de Tweede schaderichtlijn waarin het ging om een portefeuilleoverdracht waarbij een vestigingsportefeuille een vestigingsportefeuille blijft en art. 11 lid 47 van de Tweede schaderichtlijn waarin het ging om een portefeuilleoverdracht waarbij een dienstverrichtingsportefeuille juist een dienstverrichtingsportefeuille blijft. Er werd tevens een geheel nieuw art. 51 lid 2 in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf toegevoegd in verband met het bepaalde in art. 11 lid 38 van de Tweede schaderichtlijn waarin het ging om een portefeuilleoverdracht waarbij een dienstverrichtingsportefeuille een vestigingsportefeuille wordt. Op grond van art. 11 lid 5 van de Tweede schaderichtlijn dienden de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de overdragende onderneming eerst instemming te hebben verkregen van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van dienstverrichting. Dat werd geregeld in een nieuw art. 52 lid 6.
“Artikel 51 Wet toezicht verzekeringsbedrij
1. Bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer kan een verzekeraar zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, overdragen aan een andere verzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland. Deze overdracht kan betrekking hebben op alle of een deel van de overeenkomsten van schadeverzekering.
2. Voor zover bij het sluiten van de overeenkomsten van schadeverzekering, bedoeld in het eerste lid, in een andere Lid-Staat gelegen risico’s zijn verzekerd, kan de verzekeraar zijn rechten en verplichtingen onder de in het eerste lid gestelde voorwaarden tevens overdragen aan een andere verzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in die Lid-Staat.”
“Artikel 52 Wet toezicht verzekeringsbedrijf
6. Voor zover een overdracht betrekking heeft op overeenkomsten van directe schadeverzekering bij het sluiten waarvan in een andere Lid-Staat dan Nederland gelegen risico’s zijn verzekerd, verleent de Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van die Lid-Staat haar heeft meegedeeld met de overdracht in te stemmen.”
Tegelijkertijd werd in art. 53 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf9 een technische wijziging doorgevoerd die geheel losstond van de Tweede richtlijn schade. In de laatste volzin van lid 4 werd “de vooruitbetaalde premie” vervangen door “de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting en de omslagbijdragen, bedoeld in de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen” en werd “waarvoor de premie werd betaald” vervangen door “waarvoor de premie, de assurantiebelasting en de omslagbijdragen werden betaald.” Het betrof zoals gezegd een technische aanpassing die geheel losstond van art. 11 van de Tweede schaderichtlijn: “De wijzigingen in het vierde lid vloeien voort uit de nieuwe omschrijving van het begrip premie in artikel 1, onderdeel n, waardoor de assurantiebelasting en de omslagbijdragen in het kader van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen niet langer in de premie zijn begrepen. De verzekeringnemer heeft evenwel bij premierestitutie tevens recht op teruggave van de daarbij behorende assurantiebelasting en de omslagbijdragen. De wijzigingen voorzien hierin.”10
Vervolgens werden (in 1992) op grond van art. 6 van de Tweede levenrichtlijn aan HOOFDSTUK IV A van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, waarin de regeling was opgenomen over Overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering, analoge bepalingen en zinsneden over dienstverrichting toegevoegd.
“Artikel 53a Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1. Een verzekeraar kan zijn rechten en verplichtingen uit alle of een deel van de overeenkomsten van levensverzekering gesloten vanuit een vestiging in Nederland slechts bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer overdragen aan een andere verzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2. Voor zover overeenkomsten van levensverzekering als bedoeld in het eerste lid in dienstverrichting naar een andere Lid-Staat zijn gesloten, kan de verzekeraar zijn rechten en verplichtingen onder de in het eerste lid gestelde voorwaarden tevens overdragen aan een andere verzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in die Lid-Staat.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is een verzekeraar bevoegd zijn rechten en verplichtingen uit een individuele overeenkomst van levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer over te dragen.
4. Met de overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle overeenkomsten van levensverzekering wordt gelijk gesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij fusie. De artikelen van dit hoofdstuk, behoudens de artikelen 53c, vierde lid, laatste volzin, en 53c, zesde lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53b Wet toezicht verzekeringsbedrijf
3. Voor zover een overdracht betrekking heeft op in dienstverrichting naar een andere Lid-Staat gesloten overeenkomsten van directe levensverzekering, verleent de Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van die Lid-Staat haar heeft meegedeeld met de overdracht in te stemmen.”
Bij de implementatie van art. 21 lid 1 van de Eerste schaderichtlijn en art. 25 lid 1 van de Eerste levenrichtlijn werd ten aanzien van de toestemming van de Verzekeringskamer in de bepalingen over portefeuilleoverdracht de verwijzing naar het voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge (“indien de cessionaris, mede gelet op de overdracht, de vereiste solvabiliteitsmarge bezit”) bij de implementatie in de Nederlandse wet niet overgenomen op basis van de visie dat de vereiste solvabiliteitsmarge van de verkrijgende verzekeraar niet het enige criterium voor de Verzekeringskamer kon zijn.
In de tekst van art. 11 van de Tweede schaderichtlijn en art. 6 van de Tweede levenrichtlijn was in iets andere bewoordingen (“indien de toezichthoudende autoriteiten van de Lid-Staat van het hoofdkantoor van de overnemende onderneming verklaren dat deze onderneming, mede gelet op de overdracht, de vereiste solvabiliteitsmarge bezit”) ten aanzien van de toestemming van de toezichthoudende autoriteit eveneens een verwijzing naar de solvabiliteitsmarge van de verkrijger opgenomen.
Er werd bij de implementatie van deze tweede generatie verzekeringsrichtlijnen echter juist wel voor gekozen expliciet te bepalen11 dat de Verzekeringskamer geen toestemming verleent voor een overdracht indien de overnemende verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet de vereiste solvabiliteitsmarge bezit.
In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de Tweede schaderichtlijn werd gesteld dat buiten twijfel stond dat deze eis al gold. Vervolgens werd daar opgemerkt dat de met de toezichtwetgeving beoogde bescherming van de belangen van alle verzekerden op de toezichthoudende autoriteiten de verplichting legt een portefeuilleoverdracht te toetsen aan de gevolgen daarvan voor het bedrijf van zowel de overdragende verzekeraar als de overnemende verzekeraar. Men vond het niet gewenst ook aan de overdragende verzekeraar de eis te stellen dat deze over de vereiste solvabiliteitsmarge beschikt. Dit omdat het zeer wel denkbaar was dat een verzekeraar een verliesgevende portefeuille wegens solvabiliteitsproblemen overdraagt. In zulke gevallen zou de Verzekeringskamer dan tot een afweging van de belangen moeten kunnen komen.12
In de Memorie van Antwoord bij de wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de Tweede schaderichtlijn werd vervolgens in antwoord op de vraag waarom het belang van de overblijvende verzekerden bij de overdragende verzekeraar niet expliciet in de wettekst werd opgenomen, nog eens vermeld dat de bescherming van de belangen van de verzekerden als uitgangspunt aan de toezichtwetgeving ten grondslag ligt. Dit legt op de Verzekeringskamer de verplichting een portefeuilleoverdracht te toetsen aan de gevolgen daarvan voor de belangen van de overblijvende verzekerden van de overdragende verzekeraar. Een aparte toetsingsgrond daartoe vond men overbodig.13
Dit maakte duidelijk dat de wettekst dat de Verzekeringskamer geen toestemming verleent voor een overdracht indien de overnemende verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet de vereiste solvabiliteitsmarge bezit, zo moest worden gelezen dat het een minimum voorwaarde is dat de verkrijgende verzekeraar over de vereiste solvabiliteitsmarge beschikt. De Verzekeringskamer kon dus ook in verband met andere bezwaren besluiten geen toestemming te verlenen.
Voor wat betreft de overdracht van een levenportefeuille bleek dat overigens eigenlijk ook al uit de tekst van art. 53c lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf uit 1987 met de zinsnede dat de Verzekeringskamer de verzekeraar schriftelijk toestemming tot de overdracht verleent als “tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bezwaren bestaan of aan deze bezwaren is tegemoetgekomen”.