Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.1:7.1 Inleiding
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258955:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk komt het instrument van definiëring van passende arbeid aan de orde. In ruil voor de rechten die de werknemer op grond van de WW heeft, moet hij ook aan een aantal plichten voldoen. Die plichten kan het kabinet inzetten als instrument om het gedrag van de uitkeringsgerechtigde te beïnvloeden. Een van die plichten is in hoofdstuk 6 besproken, namelijk de verplichting voor de werknemer om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt (artikel 24 lid 1 sub a WW). Dit is nader ingevuld door de a-grond van lid 2 van dat artikel (een verwijtbare dringende reden ligt aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag) en de b-grond van lid 2 (beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer zonder dat de voortzetting niet van hem kon worden gevergd). Naast de verplichting om te voorkomen dat de werknemer verwijtbaar werkloos wordt, bestaat er ook nog de verplichting van artikel 24 lid 1 sub b WW: de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft. Die verplichting heeft te maken met de situatie dat de werknemer geen passende arbeid verkrijgt (sub b onder 1), aanvaardt (sub b onder 2), behoudt (sub b onder 3) of het verkrijgen van passende arbeid belemmert (sub b onder 4). In artikel 24 lid 3 WW is bepaald wat onder passende arbeid wordt verstaan, namelijk alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend is passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Het begrip is sinds 1992 middels lagere regelgeving, zoals richtlijnen en besluiten, nader gedefinieerd. In dit hoofdstuk zal de wijziging van het begrip passende arbeid in die lagere regelgeving aan bod komen. Door het aanpassen van het begrip wilde het kabinet stimuleren dat uitkeringsgerechtigden sneller uit de WW stromen. Het begrip passende arbeid heeft betrekking op verschillende situaties vóór de aanvang van de werkloosheid en tijdens de duur van de werkloosheid. Een werknemer kan zich weliswaar niet zodanig gedragen hebben dat dit heeft geleid tot zijn werkloosheid (de werknemer wordt buiten zijn wil en zonder verwijt ontslagen), maar nadat de werkloosheid ontstaan is kan zijn gedrag wel (mogelijk) hebben geleid tot een langer durende uitkering dan nodig. Hij heeft bijvoorbeeld tijdens de opzegtermijn of tijdens het ontvangen van de uitkering geweigerd passende arbeid te aanvaarden. In dat geval wordt op dezelfde wijze als bij verwijtbare werkloosheid een sanctie opgelegd (zie hoofdstuk 6).1
In dit hoofdstuk behandel ik eerst de theoretische achtergrond van het begrip passende arbeid (paragraaf 7.2-7.3). De wijzigingen in het begrip zijn tegen die achtergrond beter te begrijpen. Zowel de wettelijke bepaling die in 1987 is ingevoerd (paragraaf 7.4), als de richtlijn van 1992 (paragraaf 7.5) zijn gebaseerd op in de rechtspraak ontwikkelde criteria. De richtlijn in 1996 (paragraaf 7.7 en 7.8), in 2008 (paragraaf 7.9) en het besluit in 2015 (paragraaf 7.11) waren onderdeel van een strenger sanctie- en handhavingsregime van het kabinet. In die regelgeving is een door het kabinet gedetailleerde en strenger omschreven invulling aan het begrip gegeven, dat door de rechtspraak is gevolgd (paragraaf 7.13).