De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties
Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.6.1:1.6.1 De te evalueren belastingmiddelen
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.6.1
1.6.1 De te evalueren belastingmiddelen
Documentgegevens:
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975606:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij is er bewust voor gekozen geen vooraf bepaalde ‘mathematische’ grootheid aan de betekenis van het begrip ‘significant’ te koppelen, aangezien deze invloed zeer zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Onder ‘significant’ versta ik een ‘betekenisvolle aanwijsbare’ invloed.
Besluit staatssecretaris van Financiën van 13 december 2022, 2022-0000023865, Stcrt. 2022, 32167, V-N 2023/7.12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek richt zich op de gevolgen van samenwerkingsverbanden van non-profitorganisaties voor de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting en de overdrachtsbelasting. Deze selectie is tot stand gekomen op basis van een analyse van alle bestaande Rijksbelastingen waarbij is beoordeeld of er gevolgen optreden op het moment dat een non-profitorganisatie een samenwerking aangaat en als gevolg hiervan bepaalde rechtshandelingen worden verricht om de samenwerking in te richten. Ook is bekeken of de desbetreffende belasting onder omstandigheden het samenwerkingsverband als zodanig aan kan merken als een zelfstandig rechtssubject dat potentieel aan de betreffende heffing is onderworpen. Bij de afbakening van de te evalueren belastingmiddelen is ook rekening gehouden met de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis, literatuur en onderzoeksrapporten waarin een relatie tussen het betreffende belastingmiddel en het centrale onderzoeksonderwerp van deze dissertatie is aangebracht. Dit om te bepalen of het desbetreffende belastingmiddel invloed heeft op het vormen van het samenwerkingsverband welke in voorkomende situaties als significant (betekenisvol) kan worden gekenschetst.1
Uit mijn analyse is gebleken dat de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting en de overdrachtsbelasting vaak van belang zijn voor non-profitorganisaties bij het aangaan, uitvoeren of beëindigen van samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn het allemaal heffingen die vanuit kostenperspectief een significante financiële impact kunnen hebben. In dit onderzoek wordt voor deze drie belastingmiddelen onderzocht welke invloed de bestaande regelingen hebben op de prestaties van het samenwerkingsverband. Uiteraard is niet uitgesloten dat samenwerking door non-profitorganisaties in voorkomende gevallen ook consequenties heeft voor andere dan de hiervoor genoemde belastingmiddelen, zoals de SW 1956, de Wet LB 1964, de Wet WOZ en de Wet belastingen op milieugrondslag. Hoewel de SW 1956 in voorkomende situaties tot aanzienlijke financiële gevolgen kan leiden, gezien het tarief dat varieert van 30 tot 40%, toont mijn analyse aan dat fiscale nadelen op het gebied van schenkbelasting in de meeste situaties relatief eenvoudig kunnen worden gemitigeerd. Dit is mogelijk door een beroep te doen op een van de in art. 33 SW 1956 opgenomen vrijstellingen of een van de goedkeuringen uit een beleidsbesluit.2 Om deze reden zal in dit onderzoek geen aandacht worden besteed aan de SW 1956.
Voor de overige genoemde belastingmiddelen geldt dat uit de door mij bestudeerde jurisprudentie en literatuur niet is gebleken dat zich op deze terreinen generieke of fundamentele knelpunten voordoen. Bovendien zijn de financiële belangen voor deze heffingen vaak kleiner. Om voornoemde redenen ga ik ook voorbij aan eventuele gevolgen voor lagere (gemeentelijke of provinciale) heffingen.