Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.7
7.7 Medewerking
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348004:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met het ‘enkel’ verlenen van toestemming doel ik op het aspect dat voor een verkrijging krachtens verdeling niet tevens vereist is dat bij ‘verkrijgende’ deelgenoten aanwas dient plaats te vinden. Mijn opvatting wijkt hiermee af van bijvoorbeeld de opvatting van Kleijn, die in zijn dissertatie stelt – kort gezegd – dat de uittreding van één of meer deelgenoten tot gevolg moet hebben dat de positie van alle overige (niet uittredende) deelgenoten verandert, doordat bij elk van de laatstgenoemden aanwas optreedt. Zie Kleijn 1969, p. 9. Zie tevens par. 6.12 voor een bespreking van de opvatting van Kleijn en par. 6.13 voor een illustratie van de wijze waarop de rechtstheoretische verschillen van opvatting tussen mij en Kleijn doorwerken in enkele praktijkcasus (zie met name nr. II).
Zie par. 7.6. Zie ook: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 137; Van Mourik & Schols 2015, nr. 39.
Vergelijk over het gebruik van ‘partijen’: art. 3:183 lid 1 BW; art. 677 Rv leden 1-3.
Art. 3:195 lid 1 BW. Zie ook: art. 3:183 lid 1 BW, art. 3:185 lid 1 BW. Ook blijkens Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 137 wordt met ‘partijen’ bedoeld de deelgenoten en zij wier medewerking aan de verdeling is vereist.
Zie bijvoorbeeld: art. 3:177 lid 2 BW, art. 3:180 lid 2 BW, art. 3:181 lid 1 BW, art. 3:183 lid 1 BW, art. 3:195 lid 1 BW.
Vergelijk: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 137 (’toestemming’); Van Mourik 2012, par. 6.2, noot 31 (’instemming’); Van Mourik & Schols 2015, nr. 63 (’goedkeuring’). Stille betoogt in zijn bijdrage aan het preadvies ‘Verdeling in de notariële praktijk’ (preadvies Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie 2012) dat van ‘medewerking’ in de zin van ‘toestemming’ geen sprake kan zijn, omdat een gebrek aan toestemming zou leiden tot vernietigbaarheid, hetgeen niet in overeenstemming is met het bepaalde in art. 3:195 lid 1 BW (Stille 2012, par. 5.2.12). Perrick bestrijdt de opvatting van Stille in zijn bespreking van het vorenbedoelde preadvies (Perrick 2012, nr. 15).
Zie onder meer de voorschriften van art. 3:83 e.v. BW. Zie ook: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 189; Van Mourik & Schols 2015, nr. 66. Zie tevens: par. 2.3, 3.5.
Zie ook: Perrick 2012, nr. 15; Van Mourik & Schols 2015, nr. 66; HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017, 437, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 3.4.2: ‘De verdeling van een nalatenschap is onder het huidige recht (zoals elke verdeling) een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen (deelgenoten) die tot levering verplicht’.
Het voldoen aan het hier bedoelde leveringsvoorschrift kan inhouden dat daartoe een afzonderlijke leveringsakte is vereist, maar dit hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn. Zie ook HR 27 oktober 1995, NJ 1998, 191, m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.4: ‘Het [middel, THS] gaat terecht ervan uit dat (...) voor verkrijging door een deelgenoot van een hem bij de verdeling van de gemeenschap toegedeeld goed een op de verdeling volgende levering van dat goed vereist is. Indien echter tot de gemeenschap een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht behoort en van de verdeling een akte is opgemaakt waarin de toedeling van dat recht aan een der deelgenoten is neergelegd, zal die akte, tenzij er aanwijzingen voor het tegendeel zijn, tevens mogen worden beschouwd en door partijen gebezigd als de akte bestemd voor levering van dit recht, zodat de levering is voltooid door mededeling daarvan aan de persoon of personen tegen wie het recht kan worden uitgeoefend.’ Zie tevens: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 189; Van Mourik & Schols 2015, nr. 66.
Na de vaststelling van de personen die op grond van de wet bij de totstandkoming van de verdeling betrokken dienen te zijn, kan nu de vraag worden gesteld op welke wijze deze betrokkenen in het kader van verdeling hun medewerking dienen te verlenen.
In het vorige hoofdstuk heb ik reeds aandacht besteed aan de reikwijdte van het begrip ‘medewerken’ in het kader van de medewerking door deelgenoten. In paragraaf 6.9 stond centraal de vraag of onder medewerken door deelgenoten het (enkel) verlenen van toestemming kan worden begrepen. Deze vraag heb ik daar bevestigend beantwoord. Ook met het ‘enkel’ verlenen van toestemming kan – indien ook overigens aan de voor verdeling gestelde vereisten wordt voldaan – de totstandkoming van een als verdeling aan temerken rechtshandeling worden bereikt.1 Vergelijk in dit verband het onder oud recht voor boedelscheiding geldende art. 1125 lid 2 OBW:
‘Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen (...) [cursivering door mij, THS].’
Dat het wettelijke verdelingsbegrip uitsluitend spreekt over medewerking van deelgenoten kan worden verklaard uit het feit dat het de deelgenoten zijn die tot de te verdelen gemeenschapsgoederen zijn gerechtigd en aan hen de (privatieve) bevoegdheid toekomt tot vaststelling van de verdeling.2
Dit gegeven moet worden onderscheiden van het antwoord op de vraag wie als partij bij de verdeling hun medewerking dienen te verlenen.3 De wet spreekt in dit verband over ‘deelgenoten en andere personen wier medewerking vereist is’.4 Op welke wijze deze andere personen dan deelgenoten vervolgens hun medewerking aan de verdeling dienen te verlenen, kan niet op grond van een wettelijk voorschrift worden bepaald. Uit de wet kan niet anders worden opgemaakt dan dat er sprake moet zijn van ‘medewerken’ door deze groep van personen.5 Nu de wet geen nadere invulling geeft aan deze instructie, maar een dergelijke instructie wel op adequate wijze dient te worden ingevuld, acht ik het toereikend – in lijn met andere auteurs – onder het ‘medewerken’ door anderen dan deelgenoten (eveneens) het verlenen van toestemming te verstaan.6
Met betrekking tot de medewerking aan de uitvoering van de verdeling dient overeenkomstig art. 3:186 lid 1 BW te worden gehandeld. Art. 3:186 lid 1 BW bepaalt dat voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde, een levering is vereist ‘op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven’.7 Ten behoeve van de overgang van een toegedeeld goed is derhalve de medewerking van alle deelgenoten vereist.8 Deze medewerking door de deelgenoten dient op dezelfde wijze plaats te vinden als beschikkings-bevoegden in het kader van een overdracht aan een leveringshandeling medewerking zouden moeten verlenen.9