Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.4.4.4
5.4.4.4 Het World Online-arrest van de Hoge Raad
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655699:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.). Zie over het World Online-arrest ook de kraakheldere analyse van De Jong 2010, p. 159-160, en de analyse van Franx 2017, p. 235-237.
Volledigheidshalve wijs ik ook nog even op de in dit verband relevante overweging van het Hof Amsterdam in de World Online-zaak. Nadat het hof had vastgesteld dat World Online en de begeleidende banken een optimistischer beeld van de waarde en de toekomstverwachtingen van (de onderneming van) World Online hebben gecreëerd dan gerechtvaardigd was, oordeelde het als volgt: ‘De beleggers die daarop zijn afgegaan zijn derhalve in zoverre misleid en World Online [en de banken] hebben dan ook in zoverre onrechtmatig gehandeld jegens de beleggers’ (toevoeging en curs. ACWP), Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, m.nt. M.W. den Boogert (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 2.24.3. Hoewel het causaal verband in deze procedure strikt genomen niet aan de orde was, lijkt in deze overweging toch een oordeel over het causaal verband besloten te liggen, namelijk dat daarvoor is vereist dat de belegger daadwerkelijk op de misleidende informatie is afgegaan. In de redenering van het hof lijkt deze eis echter in de sleutel te staan van de onrechtmatigheid en/of de relativiteit.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.10.4-4.11.2.
Zie in dit verband ook Franx 2017, p. 235-237 en p. 242-243. Ik ben overigens niet met Franx eens dat het feit dat voor het aannemen van causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid is vereist dat de beleggingsbeslissing van de belegger door de misleidende informatie is beïnvloed, per definitie betekent dat de belegger wordt geacht zich op het standpunt te stellen dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht.
In gelijke zin De Jong 2010, p. 162.
In een andere procedure die is gevoerd naar aanleiding van de beursgang van World Online lijkt de causaliteitseis zeer strikt te worden ingevuld, zie Hof Amsterdam 7 oktober 2004, JOR 2004/329 (Stichting Lipstick Effect e.a./ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 3.14.1: ‘Hoewel de bewoording van de passage [in het (voorlopig) prospectus over de aandelenoverdracht door bestuursvoorzitter N. Brink] wellicht duidelijker had gekund, kan toch niet worden gezegd dat degenen die aandelen WOL wensten te kopen en de passage hebben gelezen, daardoor zijn misleid’ (toevoeging en curs. ACWP). Volgens het hof lijkt het indirect afgaan op het misleidende prospectus dus niet voldoende te zijn voor het aannemen van causaal verband.
Vgl. De Jong 2010, p. 162.
Zie over deze gedachte De Jong 2010, p. 49 en p. 160.
Zie r.o. 2.8.2 van het arrest Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, m.nt. M.W. den Boogert (VEB e.a./World Online e.a.).
Ik wijs erop dat de procedure mede was aangespannen door de Stichting VEB-Actie WOL, die haar positie als procespartij baseerde op cessies ter incasso en lastgeving. De Stichting vorderde dat World Online en de begeleidende banken worden veroordeeld tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat. De Stichting werd echter in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, en in cassatie houdt dit oordeel stand. Zie HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.4.1 en 4.5.3.
De Jong 2010, p. 159-160.
In het World Online-arrest1 heeft de Hoge Raad – overigens geheel ten overvloede – een aantal belangrijke overwegingen gewijd aan het causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid. Ik zal die overwegingen hier integraal weergeven en daarna geef ik daarbij mijn belangrijkste observaties.2 De feiten van deze zaak laat ik voor wat zij zijn, want de overwegingen over het causaal verband zijn daar niet op toegespitst; de overwegingen hebben een nogal principieel karakter.
Onder het kopje ‘Algemene uitgangspunten voor prospectusaansprakelijkheid bij beursintroductie’ oordeelt de Hoge Raad over het causaal verband als volgt:3
‘Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan is benadeeld.
(…) In beginsel draagt de belegger (…) de stelplicht en bewijslast ter zake van het [csqn]-verband. Dat bewijs is evenwel problematisch, omdat een belegger zich bij zijn beleggingsbeslissing in het algemeen door een veelheid van factoren zal laten leiden, terwijl bovendien vaak niet valt aan te tonen dat hij daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de misleidende mededeling, laat staan dat hij daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed. Die beïnvloeding kan ook indirect hebben plaatsgehad, doordat de belegger is afgegaan op adviezen of op heersende opinies in de markt, die op hun beurt door de misleidende mededeling in het leven zijn geroepen. De door deze factoren veroorzaakte bewijsproblemen ter zake van het [csqn]-verband brengen mee dat de door de (oude en nieuwe) prospectusrichtlijn beoogde bescherming van beleggers (…) in de praktijk illusoir kan worden. Daarbij verdient opmerking dat die richtlijn weliswaar de aansprakelijkheid van de uitgevende instelling voor misleidende mededelingen in het prospectus niet harmoniseert, maar dat de nieuwe prospectusrichtlijn aan de Lidstaten wel de verplichting oplegt ervoor zorg te dragen dat de nationale wettelijke bepalingen inzake [civielrechtelijke] aansprakelijkheid van toepassing zijn op degenen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus vermelde informatie (…). Dat brengt mee dat een effectieve rechtsbescherming geboden moet worden volgens de regels van het nationale recht.
(…) Met het oog op die effectieve rechtsbescherming en gelet op de met de prospectusvoorschriften beoogde bescherming van (potentiële) beleggers tegen misleidende mededelingen in het prospectus, zal tot uitgangspunt mogen dienen dat [csqn]-verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing aanwezig is. Dit betekent derhalve dat in beginsel aangenomen moet worden dat, indien geen sprake van misleiding zou zijn geweest, de belegger niet – of bij aankoop op de secundaire markt: niet dan wel niet op dezelfde voorwaarden – tot aankoop van de effecten zou zijn overgegaan (…).’ (curs. en toevoegingen ACWP)
Bij dit belangwekkende oordeel heb ik drie opmerkingen. Aangezien de Hoge Raad in bovenstaande overwegingen herhaaldelijk refereert aan de invloed van de misleidende mededeling op de beleggingsbeslissing van de belegger, zonder daarbij onderscheid te maken naar de wijze waarop de belegger zijn vordering tot schadevergoeding inkleedt, leid ik daar in de eerste plaats uit af dat bij prospectusaansprakelijkheid voor het aannemen van causaal verband altijd is vereist dat de belegger bij de aankoop van het litigieuze aandeel (direct of indirect) op het misleidende prospectus is afgegaan en daardoor (direct of indirect) is misleid.4 Dus niet alleen wanneer de belegger aan zijn vordering ten grondslag legt dat hij bij afwezigheid van het misleidende prospectus het aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, maar ook wanneer hij hieraan ten grondslag legt dat hij ook zonder het misleidende prospectus het aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, moet zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door het misleidende prospectus zijn beïnvloed. Dit betekent dat wanneer de belegger weliswaar kan aantonen dat het misleidende prospectus de aandelenprijs heeft beïnvloed en hij daardoor het aandeel tegen een geїnflateerde prijs heeft gekocht, maar hij verder voorafgaand aan zijn aankoop van geen enkele informatie heeft kennis genomen (hij vertrouwde met andere woorden slechts op de integriteit van het prijsvormingsproces), volgens de Hoge Raad niet is voldaan aan het rechtens vereiste causaal verband, en de vordering van de belegger dan dus onverkort wordt afgewezen.
Ten tweede is uit bovenstaande overwegingen af te leiden dat voor het aannemen van causaal verband niet is vereist dat de belegger zelf (door eigen kennisneming) op het prospectus is afgegaan.5 Volgens de Hoge Raad mag hij ook indirect op het misleidende prospectus zijn afgegaan via een adviseur of via heersende opinies in de markt.6 De Hoge Raad overweegt dat weliswaar niet expliciet, maar omdat hij in het kader van het (bewijs van het) csqn-verband expliciet overweegt dat de beleggingsbeslissing van de belegger ook indirect door de misleidende mededeling kan zijn beïnvloed (en de belegger aldus indirect is misleid), is hierin toch een soort erkenning te lezen van het feit dat ook het indirect vertrouwen op de misleidende informatie voldoende is voor het aannemen van causaal verband.7 Hierbij teken ik nog aan dat wat de Hoge Raad aanduid met ‘heersende opinies in de markt’ die door het misleidende prospectus in het leven zijn geroepen, hieronder volgens mij ook kan worden verstaan een door het misleidende prospectus teweeggebrachte positieve marktstemming.
Ten derde merk ik op dat in de wijze waarop de Hoge Raad het causaal verband hier benadert, voor de eisende beleggers potentieel een zware bewijslast ligt opgesloten. De Hoge Raad ondervangt dit probleem door meteen na het stellen van de eis dat de beleggingsbeslissing door het misleidende prospectus is beïnvloed, het ‘uitgangspunt’ te formuleren dat in beginsel causaal verband (in de zin van het csqn-verband) tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing aanwezig is. In het vervolg van dit hoofdstuk zal ik het door de Hoge Raad gehanteerde uitgangspunt gemakshalve aanduiden met de term ‘vermoeden’. Voor de verdere bewijsrechtelijke details omtrent deze figuur verwijs ik naar § 9.3.3.2.
De gedachte zou kunnen postvatten dat het oordeel van de Hoge Raad dat voor het aannemen van causaal verband steeds is vereist dat de beleggingsbeslissing van de belegger door het misleidende prospectus is beïnvloed, moet worden verklaard door de wijze waarop de VEB haar vordering had ingekleed.8 De VEB kwam immers op ‘voor de belangen van beleggers die in de periode [rond de beursgang] (…) aandelen World Online hebben verworven en (…) voor of bij aankoop daarvan door World Online [en de banken] (…) zijn misleid, waardoor zij schade hebben geleden’ (curs. en toevoegingen ACWP).9 Die gedachte acht ik echter niet plausibel. De overwegingen van de Hoge Raad hebben namelijk een principieel karakter en zijn geenszins verweven met de concrete feiten en omstandigheden zoals die zich in deze zaak aandienden. Daarnaast was in de fase van de procedure waarin de Hoge Raad arrest wees (een collectieve actie ex art. 3:305a BW waarbij een verklaring voor recht voor onrechtmatig handelen werd verzocht)10 het causaal verband nog niet aan de orde, zodat daar nog niet of nauwelijks partijdebat over was geweest. De overwegingen over het causaal verband worden volledig ten overvloede gegeven, en daarmee had de Hoge Raad dus alle ruimte om de in zijn ogen meest wenselijke rechtsregel te formuleren.
Verder wijs ik er nog op dat De Jong het enigszins misleidend vindt dat de Hoge Raad de rechtsvraag of voor het aannemen van causaal verband is vereist dat de belegger op de misleidende informatie (direct of indirect) is afgegaan, behandelt in het kader van het (bewijs van het) csqn-verband.11 Hoewel ik met De Jong eens ben dat deze vraag in beginsel betrekking heeft op het toerekeningsverband van art. 6:98 BW, begrijp ik – even afgezien van de al dan niet wenselijkheid van het bevestigende antwoord van de Hoge Raad – op zich wel waarom de Hoge Raad de vraag behandelt in het kader van het csqn-verband. Is voor het toewijzen van een vordering tot schadevergoeding namelijk steeds vereist dat de beleggingsbeslissing van de belegger daadwerkelijk door de misleidende informatie is beïnvloed, dan zal de belegger altijd moeten stellen dat hij bij afwezigheid van de misleiding een andere beleggingsbeslissing zou hebben genomen dan hij thans heeft genomen (hij zou de (geïnformeerde) beslissing hebben genomen het aandeel in het geheel niet te kopen of hij zou hebben beslist het aandeel wél te kopen, maar dan tegen een gunstigere prijs). Ik acht het dan niet onlogisch wanneer in het verdere verloop van het processuele debat de discussie over deze stelling in de sleutel staat van het csqn-verband.