Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.2.2.4.2
4.2.2.2.4.2 Een objectief criterium
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291173:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren, r.o. 33 (Maierhofer).
Conclusie A-G Jacobs 6 juni 2002, zaak C-315/00, ECLI:EU:C:2002:344, punt 40 (Maierhofer).
Zie bijv. http://bouwwereld.nl/wp-content/uploads/2012/11/artikel-Modulair-bouwen.pdf, geraadpleegd op 2 april 2021.
Conclusie A-G Jacobs 6 juni 2002, zaak C-315/00, ECLI:EU:C:2002:344, punten 37 en 38 (Maierhofer).
HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren, r.o. 33 (Maierhofer).
Berkhuizen spreekt van een ‘hypothetische toets’ (P. Berkhuizen, ‘Voor de kwalificatie van opstallen als onroerend bestaat in de btw (te) weinig houvast’, WFR 2019/220, p. 1338).
In HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren, r.o. 33 (Maierhofer). Zoals Van Dongen terecht opmerkt lijkt de duur van de huurovereenkomst dus wel een rol te spelen, maar is uit dit arrest niet af te leiden welke (A. van Dongen, ‘Maierhofer: vast en zeker of twee keer mis?’, BtwBrief 2003/10). Anders: P. Berkhuizen, ‘Voor de kwalificatie van opstallen als onroerend bestaat in de btw (te) weinig houvast’, WFR 2019/220, p. 1338 die meent dat de duur van de huur niet relevant is voor de vraag of een constructie vast met de grond verbonden is.
HR 31 oktober 1997, nr. 16.404, NJ 1998, 97 (Portacabin). Het is naar mijn mening onzuiver om te stellen dat de ‘Portacabin-criteria’ bepalend zijn voor de vraag of een zaak onroerend is of niet. Voor die - naar mijn mening onzuivere - opvatting zie: A.W. Kuijpers, De definitie van de onroerende zaak. Van bestemmingscriterium naar verplaatsbaarheidscriterium in het burgerlijke en fiscale recht, Tilburg: Celsus juridische uitgeverij 2012, p. 26 en J.Th. Sanders, Le droit de rêver (diss.), Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, p. 30. De in het Portacabin-arrest beschreven beoordelingsrichtlijnen hebben enkel betrekking op de vraag of gebouwen of werken al dan niet onroerend zijn.
HvJ EU 15 november 2012, zaak C-532/11, V-N 2012/61.16 (Leichenich).
In gelijke zin: P. Berkhuizen en J.C. van Straaten, ‘Wanneer onroerend voor de overdrachtsbelasting en wanneer voor de omzetbelasting?’, FBN 2019/19, p. 11-12 en P. Berkhuizen, ‘Voor de kwalificatie van opstallen als onroerend bestaat in de btw (te) weinig houvast’, WFR 2019/220, p. 1333.
In soortgelijke zin: toelichting van de Europese Commissie van 26 oktober 2015 op de EU-btw-regels betreffende de plaats van een dienst voor diensten met betrekking tot onroerend goed die in 2017 in werking treden, p. 21 waarin de Europese Commissie opmerkt dat voor de kwalificatie als onroerend goed beslissend is of het gebouw of de constructie gemakkelijk kan worden gedemonteerd of verplaatst.
Vgl. de toelichting van de Europese Commissie van 26 oktober 2015 op de EU-btw-regels betreffende de plaats van een dienst voor diensten met betrekking tot onroerend goed die in 2017 in werking treden, p. 22 waarin wordt opgemerkt dat het beoogde gebruik van een goed (wel/geen permanente locatie) kan wijzen op zijn onroerende aard, maar niet volstaat om als criterium om te bepalen of een structuur een onroerend goed is.
Dat het niet gemakkelijk kunnen demonteren of verplaatsen volstaat om een met de grond verbonden constructie als onroerend aan te merken, betekent dat een onlosmakelijke verbondenheid met de grond niet nodig is.1 Constructies waarvan op voorhand vaststaat dat ze te demonteren of te verplaatsen zijn, zoals demontabele huisvesting, kunnen daarom onroerend zijn. Ik acht dat ook wenselijk. Zoals A-G Jacobs terecht betoogt zou de eis van een onlosmakelijke verbondenheid ertoe leiden dat nagenoeg alle met de grond verbonden constructies roerend zouden zijn, terwijl de praktijk ook zou worden opgezadeld met de (voor juristen) complexe beoordeling of een met de grond verbonden constructie (technisch gezien) al dan niet kan worden gedemonteerd of verplaatst.2 Daarnaast, en dat is naar mijn mening een zwaarwegender argument, eist het beginsel van de fiscale neutraliteit dat soortgelijke goederen, die dus met elkaar concurreren, geen verschillende btw-behandeling krijgen. De unit- of modulaire bouw was oorspronkelijk hooguit goed genoeg voor echte noodhuisvesting, maar die tijd is voorbij. De kwaliteit van demontabele huisvesting doet inmiddels nauwelijks meer onder voor traditioneel gebouwde permanente huisvesting en het is aan de buitenkant ook niet altijd meer zichtbaar dat een gebouw uit units bestaat.3 Dat het modulair bouwen inmiddels niet meer alleen wordt toegepast bij het realiseren van tijdelijke huisvesting, maar ook bij de bouw van permanente huisvesting onderstreept dit.
Voor de vraag of demontabele constructies vast met de grond verbonden zijn, is de beoogde duur van de verbinding met de grond niet van doorslaggevende betekenis. Het Hof van Justitie heeft dit subjectieve criterium, conform de conclusie van A-G Jacobs4, nadrukkelijk afgewezen.5 Of een met de grond verbonden constructie gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen is moet objectief worden beoordeeld.6 Aan de duur van de huurovereenkomst kent het Hof daarom geen doorslaggevende betekenis toe.7 Op dit punt wijkt de uitleg van het uniebegrip gebouw in het Maierhofer-arrest af van het Nederlandse civiele recht op grond waarvan gebouwen en werken reeds duurzaam met de grond verenigd (en dus onroerend) zijn indien zij naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven (het zogenoemde ‘bestemmingscriterium’).8 Het Leichenich-arrest roept de vraag op of het Hof van Justitie niet langer een volledig objectief criterium hanteert, aangezien het hierin ook de duur van de huurovereenkomst alsmede het beschikken over een postadres, een telefoonaansluiting en een aansluiting op de nutsvoorzieningen van belang lijkt te achten voor de kwalificatie van een woonboot als een onroerend goed.9 Ik meen dat dit niet het geval is.10 Steun voor die opvatting is te vinden in r.o. 23 waarin het Hof van Justitie – onder verwijzing naar het objectieve ‘Maierhofer-criterium’ overweegt dat de woonboot vast met de rivierbodem en de oever is verbonden.11 Hieruit volgt dat aan de in r.o. 24 aan de orde komende (beoogde) duur van de huurovereenkomst alsmede het beschikken over een postadres, een telefoonaansluiting en een aansluiting op de nutsvoorzieningen geen doorslaggevende betekenis toekomt. Deze lezing ligt ook voor de hand, omdat het Hof van Justitie de zaak zonder conclusie van de A-G heeft berecht. Dit betekent dat (volgens het Hof van Justitie) geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is (zie paragraaf 2.3.5.1). Van een afzwakking van het objectieve Maierhofer-criterium is naar mijn mening dan ook geen sprake. Die conclusie betekent niet dat de duur van een huurovereenkomst en het beschikken over een postadres, een telefoonaansluiting en een aansluiting op de nutsvoorzieningen in het geheel niet relevant zijn voor de kwalificatie van een goed als (on)roerend. Uit het Leichenich-arrest is naar mijn mening af te leiden dat het aanwijzingen zijn dat een constructie vast met de grond verbonden is.12