Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.3.3
8.3.3 Schade kan meer in het algemeen niet rechtmatig worden toegebracht
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590939:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 8.2 waarin ik bespreek waarom onder deze omstandigheden de reden om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm niet aanwezig is.
Te denken valt aan HR 10 november 2006,NJ 2008/491 m.nt. J.B.M. Vranken (Astrazeneca/Amicon) en aan HR 13 april 2007,NJ 2008/576 m.nt. J.B.M. Vranken (Iraanse vluchtelinge). Meijers schreef over deze motivering in zijn NJ-annotatie: “Hiermede is in de vroegere leer van den H.R. [de relativiteitsleer], zoo zij feitelijk niet geheel verlaten is, dan toch een ernstige bres geschoten. (…) Men kan derhalve in het vervolg, wanneer iemand door de overtreding van een norm rechtstreeks in zijn belangen getroffen is, steeds aannemen, dat de overtreden norm dient tot bescherming van het getroffen belang.”
In HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973 (Energyclaim/Staat), rov. 3.3 t/m 3.5.4 bouwde de Hoge Raad, anders dan door Energyclaim bepleit, terecht niet voort op dit spoor van het nauw samenhangende afgeleide belang.
Inleiding
396. Het tweede type geval waarin het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm niet redelijk zou zijn, zal ik nu bespreken. In deze gevallen beantwoordt de door de normschending veroorzaakte schade niet aan het doel van de geschonden norm, maar kan meer in het algemeen dezelfde schade niet eenvoudig op een vergelijkbare wijze rechtmatig worden toegebracht.1 De meest heldere manier waarop kan blijken dat de schade zoals geleden in het algemeen niet rechtmatig kan worden toegebracht, is wanneer voor de laedens tevens een andere norm gold waarmee wel beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Op het eerste gezicht zou het dan voor de hand liggen om de schadevergoedingsverplichting van de laedens op de schending van die andere norm te baseren. Merkwaardigerwijs lijkt in de rechtspraak echter soms de voorkeur te bestaan om niet zo’n andere normschending vast te stellen, maar om de aansprakelijkheid niet te begrenzen aan de hand van het doel van de norm die duidelijk geschonden is. In het navolgende bespreek ik twee zaken waarin zich dit voordoet.
Cuyck/Van Lent
397. In de eerste plaats bespreek ik de wat oudere zaak Cuyck/Van Lent.2
De burgemeester van Cuyck meende dat de benoeming van Van Lent tot hulpkeurmeester bij de gemeenschappelijke vleeskeuringsdienst van de gemeente ongeldig was. Op grond van deze, naar achteraf bleek onjuiste, veronderstelling wilde de burgemeester de hulpkeurmeester niet beëdigen. In het geval van een geldige benoeming, waarvan sprake was, was de burgemeester wel op grond van de wet tot beëdiging gehouden. Zolang Van Lent niet als hulpkeurmeester werd beëdigd, kon hij zijn ambt niet aanvaarden en had hij geen aanspraak op salaris. Van Lent sprak, omdat hij vanwege het onrechtmatige niet beëdigen salaris misliep, de gemeente aan tot schadevergoeding. Het hof wees deze vordering toe. De gemeente klaagde in cassatie dat het hof hierbij miskende dat de geschonden norm niet strekte tot bescherming tegen de schade zoals door Van Lent geleden. De Hoge Raad verwierp deze klacht, overwegende “dat deze rechtsplicht den Burgemeester wel is waar niet in de eerste plaats in het belang van den benoemde is opgelegd; (…) dat de weigering van den Burgemeester om Van Lent te beëdigen deze rechtstreeks in zijn belang trof; dat [daarom] ook dit belang bescherming vindt in het wettelijk voorschrift, dat den Burgemeester verplicht om Van Lent te beëdigen”.
Of met de door de burgemeester geschonden norm beoogd is iemands belang te beschermen, en, zo ja, wiens belang en welk belang, wordt in deze zaak niet helder. De Hoge Raad oordeelde, naar ik meen wat eufemistisch, dat de verplichting in ieder geval niet in de eerste plaats in het belang van de benoemde is opgelegd. Naar het oordeel van de Hoge Raad is de gemeente niettemin aansprakelijk nu het schenden van de norm door de burgemeester Van Lent rechtstreeks in zijn belang trof en de norm daarom ook dat belang beschermde. Naar ik meen is dit een ongelukkige rationalisering van een op zichzelf wel terechte uitkomst. Doorgaans staat namelijk de omstandigheid dat rechtstreeks een belang van de gelaedeerde geschonden is, niet in de weg aan het slagen van het verweer dat met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.3 De gehanteerde rationalisering laat zich daarom niet volhouden. De Hoge Raad heeft hier, met het hof, naar ik meen wel aangevoeld dat het niet redelijk zou zijn om de aansprakelijkheid van de gemeente te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm, maar was niet in staat om die slotsom op een bevredigende manier te verenigen met de door hem aanvaarde relativiteitsleer.
De reden dat het hier niet redelijk zou zijn om de aansprakelijkheid van de gemeente te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm, is mijns inziens de volgende. De schade die Van Lent door het onrechtmatig niet-beëdigen leed, had hij hier meer in het algemeen niet eenvoudig op een vergelijkbare wijze rechtmatig kunnen lijden. Voor de hand ligt, mijns inziens, dat het onafhankelijk van het beschermingsdoel van de geschonden norm, in strijd was met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt om als gemeente een ambtenaar te benoemen, maar deze ten onrechte niet te beëdigen zodat de ambtenaar geen aanspraak op salaris verkrijgt.4 Deze (oude) zaak illustreert, ondanks de weinig gelukkige motivering, dat waar ten gevolge van een onrechtmatige daad schade ontstaat die niet meer in het algemeen rechtmatig kan worden toegebracht, het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm onredelijk kan zijn.5
Barneveld/Gasunie
398. Een meer recente zaak waarin dezelfde problematiek speelde is Barneveld/Gasunie.6
In de planvoorschriften van een in de gemeente Barneveld geldend bestemmingsplan was bepaald dat niet gebouwd mag worden op een afstand van minder dan vijf meter van een aardgastransportleiding. Het college van B&W was bevoegd van dit verbod vrijstelling te verlenen indien uit een daartoe ingewonnen advies van de desbetreffende leidingbeheerder blijkt dat daartegen uit een oogpunt van exploitatie van de leiding geen overwegende bezwaren bestaan. Een inwoner van de gemeente bouwde een stal en berging boven een aardgastransportleiding. De gemeente verleende hiervoor een vergunning, zonder dat de benodigde vrijstelling was verleend of advies aan Gasunie, de hier relevante leidingbeheerder, was gevraagd. Toen Gasunie de stal met berging gewaar werd en bleek dat de fundering op de leiding was gestort, zag zij zich omwille van de veiligheid genoodzaakt de leiding om te leggen. Gasunie sprak de gemeente aan tot schadevergoeding op de grond dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld door een vergunning te verlenen in strijd met het bepaalde in de planvoorschriften. De gemeente verweerde zich met het betoog dat de planvoorschriften strekten ter bescherming van de veiligheid van de omwonenden in de gemeente en niet van de leidingbeheerder. Het hof verwierp dat betoog met de overweging dat het gegeven dat het bepaalde in de planvoorschriften strekt tot bescherming van omwonenden “niet uitsluit” dat de schending van de norm ook onrechtmatig is jegens de leidingbeheerder en dat de leidingbeheerder een van de omwonenden “afgeleid belang” heeft. In cassatie klaagde de gemeente dat het hof aldus de relativiteitsleer miskent. De Hoge Raad verwierp dat beroep: “Het hof heeft het standpunt van de Gemeente dat [het bepaalde in de planvoorschriften] strekt tot bescherming van omwonenden en gebruikers zoals hiervoor vermeld, als juist aanvaard doch daaraan (…) toegevoegd dat Gasunie een daarvan afgeleid belang heeft dat daarmee zozeer samenhangt dat het onder deze bescherming moet worden begrepen. Dit belang acht het hof door de Gemeente geschonden. (…) Deze oordelen zijn juist.” (rov. 3.5.2) Overigens had het hof ten overvloede geoordeeld dat de gemeente door het verlenen van de bouwvergunning ook met het oog op het voor haar kenbare belang van Gasunie om geen kosten voor het omleggen van een aardgastransportleiding te behoeven maken, onzorgvuldig tegenover Gasunie had gehandeld. De Hoge Raad laat de tegen dit oordeel gerichte klachten falen bij gebrek aan belang, nu de gemeente reeds op grond van de onrechtmatig verleende vergunning voor de omleggingskosten aansprakelijk was.
Ook hier zien we mijns inziens een worsteling om tot een bevredigende motivering te komen voor de op zichzelf wel redelijke uitkomst. Hoewel het hof niet uitdrukkelijk wil onderkennen dat met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, is het impliciete vertrekpunt in zijn motivering wel de discrepantie tussen de door de norm wel beoogde bescherming (het voorkomen dat omwonenden door een onveilige situatie schade lijden) en de schade zoals door Gasunie geleden. Het hof probeert het hierin gelegen relativiteitsprobleem op te lossen met de constructie dat Gasunie een van de omwonenden “afgeleid belang” heeft en dat daarom de geschonden norm ook strekt tot bescherming tegen het belang waarin Gasunie is geschaad. Die constructie is mijns inziens in zijn algemeenheid echter onverdedigbaar.
Te denken valt bijvoorbeeld aan personen die een afgeleid belang hebben bij het gebruik van een zaak (de drankleverancier bij het gebruik van een café) of aan aandeelhouders en crediteuren die een afgeleid belang hebben bij het functioneren van een vennootschap. Als tegenover de eigenaar van de zaak of tegenover de vennootschap in strijd wordt gehandeld met een norm waarmee beoogd is die eigenaar of die vennootschap te beschermen, wordt met die norm niet automatisch ook beoogd de personen met een afgeleid belang te beschermen.
De Hoge Raad heeft dit probleem met de motivering van het hof kennelijk wel gezien. Naar ik vermoed voegde hij om deze reden in zijn parafrase van het oordeel van het hof een aanvullende voorwaarde toe: nodig is dat het afgeleide belang “zozeer samenhangt” met het wel beschermde belang dat het ook onder de door de norm geboden bescherming moet worden begrepen. Waarom die samenhang hier zodanig is, zegt de Hoge Raad niet. Naar ik meen wordt de problematiek zo in een ongelukkige sleutel gezet, omdat de werkelijke reden om de gemeente aansprakelijk te houden voor de schade van Gasunie niet gelegen is in deze samenhang of het afgeleid zijn van haar belang. Het op deze wijze proberen te rationaliseren van de bereikte uitkomst, draagt mijns inziens eraan bij dat de relativiteitsvereiste tot toverformule verwordt.7
399. In het voorgaande betoogde ik dat het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm zich niet laat rechtvaardigen waar meer in het algemeen dezelfde schade niet op eenzelfde wijze rechtmatig kon worden toegebracht. Het oordeel van het hof dat het onzorgvuldig van de gemeente tegenover Gasunie is om, bovendien in strijd met haar planvoorschriften, een vergunning te verlenen voor de bouw van stal met berging bovenop een leiding, spreekt mij aan. De gemeente diende immers de aanwezigheid van leidingen in haar beoordeling te betrekken en van het bouwen op een gasleiding kan schade voor Gasunie worden verwacht. De schending door de gemeente van deze zorgvuldigheidsnorm biedt niet alleen een zelfstandige grond voor haar aansprakelijkheid, maar maakt tegelijkertijd dat het niet meer redelijk zou zijn om aansprakelijkheid op grond van de schending van de norm uit de planvoorschriften te begrenzen aan de hand van het doel ervan. Het baseren van de aansprakelijkheid van de gemeente op de schending van deze zorgvuldigheidsnorm is naar mijn mening aanmerkelijk helderder dan het met een gekunstelde redenering over een afgeleid belang proberen het relativiteitsvereiste te omzeilen.
Slotsom
400. In deze tweede groep van gevallen zou het niet redelijk zijn om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm omdat de schade zoals geleden niet meer in het algemeen rechtmatig kan worden toegebracht. Eén situatie waarin schade duidelijk niet meer in het algemeen rechtmatig kan worden toegebracht, doet zich voor indien voor de laedens een andere norm geldt waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Zoals blijkt uit Cuyck/Van Lent en Barneveld/Gasunie spreekt het in deze situaties niet aan om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm. In plaats van te proberen om met gekunstelde motiveringen het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm te omzeilen (omdat het geschade belang rechtstreeks getroffen zou zijn of afgeleid zou zijn van het belang dat wel beoogd werd te beschermen), is het mijns inziens beter om uit te werken dat een andere norm is geschonden en aansprakelijkheid van de laedens op de schending van die norm te baseren.
Overigens is denkbaar dat er situaties zijn waarin de schade niet meer in het algemeen rechtmatig toegebracht kan worden, zonder dat een norm bestaat waarmee beoogd is tegen deze schade te beschermen en terwijl de schade ook niet sterk lijkt op schade waartegen een norm wel beoogt te beschermen. In de jurisprudentie heb ik hiervan geen voorbeelden aangetroffen.