Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.2.1
2.2.1 Hoe ver terug in de geschiedenis?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285543:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Bos-Rops 1993, blz. 348.
Van Soest 1966, blz. 13. Vergelijk: Van der Poel 1935, blz. 45.
Grapperhaus 1993, blz. 45. Vergelijk: Liesker & Fritschy 2004, blz. 377 en Veenstra 2009, blz. 194 over de opbrengsten van de Liberale Gifte van 1747.
Pfeil 2009, blz. 219 e.v.
Pfeil 2009, blz. 222. Vergelijk: Van Voorthuijsen 1848, deel 2, hoofdstuk 3, blz. 47 e.v. die constateert dat onterecht vrees bestaat voor de kredietwaardigheid van een koopman als zijn inkomen bekend wordt. Het risico kan worden beperkt door het opleggen van een verplichting tot geheimhouding.
Pfeil 2009, blz. 221-222.
Vergelijk: Van Langenhuysen & Van Langenhuysen 1848, deel 1, blz. 12.
Zie uitgebreider voor enkele historische beschouwingen over de belastingheffing en geheimhouding: Grapperhaus 1993, Bos-Rops 1993, Bos-Rops 2001, Liesker & Fritschy 2004, Pfeil 2009 en Veenstra 2009.
De SW 1859 blijft, mede dankzij de herziening in 1917, niet buiten beeld (Wet van 20 januari 1917, houdende wijziging der Successiewet, Kamerstukken II 1916/17, 324, Stb. 1917, 189. Het eerdere wetsvoorstel, Kamerstukken II 1915/16, 210 werd op 29 november 1916 in de Eerste Kamer verworpen en in aangepaste vorm kort daarna opnieuw ingediend en aangenomen).
Pfeil 2009, par. 4.1.2, blz. 214 e.v. Hij geeft ook aan dat men het maatschappelijk onaanvaardbaar vond dat de overheid zit te snuffelen in de papieren van belastingplichtige. Met name vanuit de kringen rond koophandel en nijverheid zou eeuwenlang verzet zijn gerezen tegen de ‘openbaarmaking der fortuinen’, mede vanwege de vrees dat daarmee schade zou worden berokkend aan de kredietwaardigheid en concurrentiepositie van de kooplieden en neeringdoenden.
H.E. Koning, De geheimhoudingsverplichting van de fiscus, WFR 1964/681. Vergelijk: MvA (Rijksbegroting 1930), Kamerstukken II 1929/30, 2 VII B, nr. 8, blz. 13 waar over de Wet PB 1896 werd opgemerkt dat deze belasting werd geheven “(…) naar uiterlijk waarneembare kenteekenen, zoodat een belang van geheimhouding ontbreekt”. Zie ook: Het Financieele Dagblad 7 augustus 2019, De voorloper van de spaartaks werd veelvuldig ontdoken, https://fd.nl/economie-politiek/1311148/de-voorloper-van-de-spaartaks-werd-veelvuldig-ontdoken (online, geraadpleegd op 3 september 2019).
De fiscale geheimhouding heeft een eeuwenlange geschiedenis. Zo schrijft Bos-Rops dat de Staten van Holland al in 1543 bedongen dat zij zelf de nieuwe belastingen van Karel V zouden regelen zodat de kohieren (belastingdossiers) die daarvoor zouden worden opgemaakt, geheim zouden blijven.1 Van Soest geeft aan dat de 10de penning uit 1569 – die mede tot de Tachtigjarige Oorlog heeft geleid – ten dele berustte op het verzet tegen de openlegging der boeken.2 Grapperhaus merkt op dat ook bij de ‘Liberale Gifte’ van 1747 (een heffing over het vermogen) werd beloofd de opbrengst geheim te houden.3 In zijn boek over de geschiedenis van de Belastingdienst gaat Pfeil in op de inkomsten- en vermogensheffingen gedurende de Bataafs-Franse tijd (1795-1810).4 Hij laat zien dat de belastingwetgever uitgaat van het stelsel van zelftaxatie waarbij het vaststellen van de belastingschuld wordt overgelaten aan de belastingplichtige. Kenmerkend hiervoor is de geheimhouding. Volgens Pfeil vloeit de geheimhouding voort uit de in brede kring gedeelde vrees dat het krediet van de ondernemers en handelaren zou worden geschaad als hun vermogens op straat komen te liggen.5 Ook bij de voldoening van de verschuldigde belasting is volgens Pfeil geheimhouding troef.6 Om openbaarmaking van de verschuldigde belastingsommen te voorkomen mocht de belastingbetaler zijn belastingschuld in twee of drie aanslagbiljetten splitsen.7
Het is bijzonder interessant om helemaal te beginnen vanaf de Middeleeuwen.8 Desondanks begin ik bij de Wet VB 1892 omdat hier de basis is gelegd voor de huidige geheimhoudingsbepaling.9 Hierbij speelt mee dat de belastingheffing tot de negentiende eeuw veelal was gebaseerd op uiterlijke tekenen van welstand zodat van geheimhouding geen sprake kon zijn. Zo beschrijft Pfeil de beperkte belastingtechniek en de bescheiden controlemogelijkheden waardoor de belastingwetgever zich lange tijd noodgedwongen moest bedienen van uiterlijke en makkelijk controleerbare tekenen van welstand.10 Ook Koning geeft aan dat vele belastingen in de negentiende eeuw zozeer waren gebaseerd op uiterlijke tekenen van welstand dat van geheimhouding geen sprake kon zijn.11