Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.3.2.2
II.3.3.2.2 Naïviteit
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455579:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D.J. Krapohl, ‘Limits of the CIT in criminal cases’, in: B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed InformationTest, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 154.
J.A. Podlesny, ‘A Paucity of Operable Case Facts Restricts Applicability of the Guilty Knowledge Technique in FBI Criminal Polygraph Examinations’, Forensic Science Communications, 2003, 3. https://archives.fbi.gov/archives/about-us/lab/forensic-sciencecommunications/fsc/july2003/podlesny.htm, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017. Zie ook G. Ben-Shakhar, M. Bar-Hillel & M. Kremnitzer, ‘Trial by Polygraph: Reconsidering the Use of the Guilty Knowledge Technique in Court’, Law and Human Behavior 2002, 5, p. 531.
A. van Amelsvoort, I. Rispens & H. Grolman, Handleiding Verhoor, Amsterdam: Stapel & De Koning 2012, p. 39.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 265.
A. van Amelsvoort, I. Rispens & H. Grolman, Handleiding Verhoor, Amsterdam: Stapel & De Koning 2012, p. 27.
M.T. Bradley, C.A. Barefoot & A.M. Arsenault, ‘Leakage of information to innocent suspects’, in: B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theoryand Application of the Concealed Information Test, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 188-189.
Items die geschikt zijn om in een GKT te gebruiken, moeten namelijk voldoen aan de voorwaarde van naïviteit. Volgens Krapohl is naïviteit van onschuldigen een absoluut noodzakelijke voorwaarde voor het succesvol kunnen afnemen van de GKT.1 Met naïviteit wordt bedoeld dat onschuldigen niet op enigerlei wijze kennis hebben genomen van het strafbare feit, althans dat er weinig kennis over specifieke details van het strafbare feit bekend is bij het (grote) publiek. Een onschuldige burger dient naïef te zijn over de (details van de) criminele gebeurtenis. In de meeste gevallen zal dit zo zijn omdat onschuldige burgers normaliter geen details van een plaats delict te weten komen. Er bestaan echter wel gevaren waardoor de naïviteit van onschuldigen aangaande het te onderzoeken strafbare feit kan worden aangetast.
Podlesny noemt de volgende gevaren: ‘legitimate access of many suspects to case details; the release of case information through investigative interviews, themedia, of legal discovery’.2 Twee van deze potentiële gevaren treden waarschijnlijk in veel van de strafzaken waarin een GKT kan worden toegepast op en kunnen soms ook niet tegen worden gegaan: ten eerste gaat het om het confronteren van de ondervraagde tijdens het verhoor met details van het strafbare feit om een reactie uit te lokken. Een tweede gevaar is het uiteindelijk verstrekken van het dossier aan de verdachte en zijn raadsman.
Het verhoor is een veelvoorkomend3 en belangrijk4 onderdeel van een opsporingsonderzoek. Het verhoren van de verdachte vindt in alle opsporingsonderzoeken plaats omdat de verdachte mogelijk de enige persoon is die juiste informatie over het strafbare feit kan verschaffen. Als de verdachte ook dader is, kan hij hoogstwaarschijnlijk als enige bron van informatie een compleet beeld schetsen van de gebeurtenis. Dit maakt het belang van een goed verdachtenverhoor evident. Als er echter gebruik wordt gemaakt van de interviewtechniek confrontatie, dan werpt het gebruik van deze techniek een beletsel op voor de toepassing van de GKT bij dezelfde verdachte. Bij een confrontatie (in de zin van de verhoortechniek) wordt de verdachte geconfronteerd tijdens het verhoor met tactische aanwijzingen die de recherche heeft verzameld.5
Dit kan als doel hebben de leugenachtigheid van een eerder afgelegde verklaring van de verdachte aan te tonen en/of om de verdachte in de richting van een bepaalde verklaring te sturen. Dit betekent echter wel dat de verdachte kennis verkrijgt over het strafbare feit. Hij wordt immers geconfronteerd met de resultaten van het rechercheonderzoek.
Een onschuldige verdachte is daarna bij een GKT minder goed te onderscheiden van een verdachte met een ‘schuldig geheugen’. Beiden hebben immers bepaalde daderkennis over het strafbare feit: de onschuldige verdachte omdat hij daderkennis verkreeg tijdens het verhoor en de schuldige verdachte omdat hij op de plaats delict aanwezig was. Met de GKT kan niet worden beoordeeld hoe iemand de kennis heeft verkregen, maar enkel of de persoon daderkennis bezit. De onschuldige verdachte die indirect daderkennis heeft verkregen, is derhalve niet te onderscheiden van de dader. Mocht een opsporingsteam in de toekomst een GKT bij een bepaalde verdachte willen afnemen, dan dient dus zorgvuldig om te worden gegaan met het ‘lekken’ van daderkennis tijdens de verhoorsituatie. Het is dan immers niet meer te achterhalen of de verdachte daadwerkelijk daderkennis bezit of dat de verdachte deze kennis heeft opgedaan tijdens het eerder afgenomen verhoor. Het verweer weerleggen dat de naïviteit was geschonden, is enkel mogelijk als een volledig ‘logboek’ van alle verhoren bestaat. Ik kom daarop later terug.
Waar de verhorende autoriteit vaak vooraf kan bepalen de confrontatietechniek tijdens het verhoor te gebruiken, is het niet altijd mogelijk informatie uit het dossier geheim te houden voor de verdediging. Nu biedt het Nederlandse strafprocesrecht in het begin van het opsporingsonderzoek nog voldoende mogelijkheden om informatie niet beschikbaar te stellen aan de verdediging, maar dat betekent wel dat (wederom) goed na moet worden gedacht over het moment van het afnemen van een GKT. Dit kan in elk geval zeker niet meer nadat een dossier aan de verdediging is verstrekt waarin alle informatie staat opgenomen die tijdens de opsporingsfase is verzameld. De (onschuldige) verdachte kan dan alle relevante daderkennis leren.
Ook het lekken van informatie naar de media, het gebruiken van de media als opsporingsmiddel of het publiceren over strafbare feiten in de media zonder tussenkomst van de opsporende autoriteiten, kan in de toekomst het betrouwbaar afnemen van de GKT onmogelijk maken.6 Mocht de GKT worden geïntroduceerd in het Nederlandse strafprocesrecht dan is het voor het betrouwbaar afnemen van de test essentieel dat de opsporende autoriteiten bewust zijn van het gevaar dat lekkage van informatie onschuldige burgers daderkennis verschaft. Verder dienen de media zelf ook bewust te worden van het gevaar dat het publiceren van details over strafbare feiten een belemmering voor de betrouwbare toepassing van de GKT kan opleveren. Zonder inmenging van de autoriteiten berichten media veelvuldig over strafbare feiten. Regelmatig zijn mediaploegen ter plaatse op de plaats delict. Als over wat zich heeft afgespeeld op de plaats delict uitvoerig in de media wordt bericht, kan iedere burger kennisnemen van details van het strafbare feit. Dat houdt in dat elke burger mogelijk daderkennis en dus een ‘schuldig geheugen’ bezit. De media kunnen, door te publiceren (‘lekken’) over strafbare feiten, derhalve een (betrouwbare) afname van de GKT onmogelijk maken. Gelekte items dienen, zoals eerder vermeld, te worden verwijderd. Blijven er te weinig items over, dan neemt de betrouwbaarheid van de afname exponentieel af.