Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.2.1
5.2.1 Ontwikkelingen in het Europees mededingingsrecht
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574037:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 6 april 1962, zaak 13/61 (De Geus en Uitdenbogerd/Bosch), Jur. 1962, p. 93. Zie over deze zaak Van der Woude 2002, p. 177.
Art. 9 lid 1 van Verordening 17/62 bepaalde dat de Commissie over een exdusieve ontheffingsbevoegdheid beschikte die op aanvraag bij de Commissie verkregen kon worden. Indien de overeenkomst was aangemeld bestond er een kans op ontheffing en mocht de rechter de nietigheidssanctie in beginsel niet toepassen. Overeenkomsten die niet waren aangemeld konden in beginsel niet op een ontheffing aanspraak maken en werden door de nietigheidssanctie van art. 81 lid 2 EG getroffen bij strijd met art. 81 lid 1 EG.
Van der Woude is zelfs van mening dat het exclusieve recht dat Verordening 17 aan de Commissie heeft toegekend de decentrale toepassing van het communautaire mededingingsrecht in zekere zin heeft geblokkeerd. Hij vermeldt daar echter bij dat het centraliserend effect ook veel voordelen heeft gehad. Zo heeft de Commissie in de afgelopen veertig jaar een coherent mededingingsbeleid kunnen ontwikkelen met behulp van de centrale Europese administratieve handhaving van het mededingingsrecht. Zie Van der Woude 2002, p. 177.
HvJ EG 5 februari 1963, zaak 26/62 (Van Gend en Loos), Jur. 1963, p. 3; HvJ EG 15 juni 1964, zaak 6/64 (Costa/ENEL), Jur. 1964, p. 1203.
HvJ EG 30 januari 1974, zaak 127/73 (BRT/SABAM), Jur. 1974, p. 51.
HvJ EG 6 februari 1973, zaak 48/72 (Brasserie de Haecht), Jur. 1973, p. 77.
Dat de art. 81 lid 1 EG en 82 EG rechtstreeks voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen volgde reeds impliciet uit HvJ EG 6 april 1962, zaak 13/61 (De Geus en Uitdenbogerd/Bosch), Jur. 1962, p. 93. Zie Van der Woude 2002, p. 177. Zie over Brasserie de Haecht II en Sabam reeds Gijlstra & Murphy 1974, p. 79-109.
Daarbij moet worden aangetekend dat het niet de Commissie maar het HvJ EG is dat bepaald of een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt. Zie § 2.5.5.
Van den Bossche 1995, p. 1105.
Van den Bossche 1995, p. 1105. Zie ook de daar vermelde jurisprudentie van het HvJ EG zoals HvJ EG 16 december 1976, zaak 45/76 (Cornet), Jur. 1976, p. 2043; HvJ EG 16 december 1976, zaak 33/76 (Rewe-Zentralfinanz), Jur. 1976, p. 1989 en HvJ EG 10 juli 1980, zaak 811/79 (Ariete), Jur. 1980, p. 2545.
GvEA EG 10 juli 1990, zaak T-51/89 (Tetra Pak I), Jur. 1990, p. II-309, r.o. 42.
Mededingingsrecht speelde een lange tijd geen echte rol van betekenis in Nederland. Europees mededingingsrecht kreeg echter een andere lading door een aantal opeenvolgende gebeurtenissen. Zo betrof het allereerste verzoek om een prejudiciële uitspraak de uitleg van de in artikel 81 lid 2 EG neergelegde nietigheidssanctie in de zaak Bosch/De Geus en Uitdenbogerd.1 Het HvJ EG overwoog in deze zaak dat de nietigheidssanctie, overeenkomstig de procedureregels die destijds golden, slechts kon worden toegepast indien vaststond dat geen ontheffing van het kartelverbod volgens het derde lid van artikel 81 EG mogelijk was.
Na deze gebeurtenis heeft de Raad Verordening 17/62 aangenomen, waarin een exclusief recht werd toegekend aan de Commissie om op grond van artikel 81 lid 3 EG een ontheffing te verlenen.2 Als gevolg van het exclusief recht dat door Verordening 17/62 aan de Commissie werd toegekend, werd de decentrale toepassing van het Europees mededingingsrecht door de nationale autoriteiten en nationale rechters aanzienlijk gecompliceerd.3 Nadat in 1963 in het Van Gend en Loos-arrest de directe werking van het gemeenschapsrecht door het HvJ EG werd erkend en het HvJ EG in 1964 in het Costa/ENEL-arrest bepaalde dat het EEG-Verdrag anders dan gewone internationale verdragen een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen die in de rechtsorde van de lidstaten is opgenomen en op grond van het bijzonder karakter van het gemeenschapsrecht 'niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet zonder zijn gemeenschapsrechtelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrondslag van de Gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast', werd duidelijk dat uit het gemeenschapsrecht zowel voor particulieren als voor de lidstaten rechtreeks rechten en verplichtingen konden ontstaan waar men binnen de nationale rechtsorde een beroep op kon doen.4
De arresten Sabam I5 en Haecht II6 kende uiteindelijk rechtstreekse werking toe aan de artikelen 85 (althans het eerste en tweede lid) en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 en 82 EG).7 Vanaf dat moment werd duidelijk dat het Europees mededingingsrecht kon worden toegepast door de Nederlandse rechter. De toepassing van het Europees mededingingsrecht werd een zaak die niet alleen de Europese Commissie, maar ook de nationale rechters van de lidstaten aanging.
In de huidige verordening 1/2003 is in artikel 6 nog eens neergelegd dat nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn de artikelen 81 en 82 EG toe te passen.8 Tot het 'acquis communautaire' behoren de standaardarresten van het HvJ EG inzake de gedecentraliseerde toepassing van de artikelen 81 en 82 EG.9 Uit het beginsel van de gemeenschaptrouw ex artikel 10 EG valt op te maken dat het de nationale rechter is die wordt belast met de zorg voor de rechtsbescherming welke voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van gemeenschapsrechtelijke bepalingen.10 De nationale rechter die rechtstreeks werkende bepalingen van Gemeenschapsrecht toepast doet dit als decentrale communautaire rechter.11 Deze belasting van de nationale rechter met de zorg voor de rechtsbescherming welke voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van gemeenschapsrechtelijke bepalingen, geldt zeker voor de in dit boek centraal staande artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag.
Per 1 mei 2004 werd de nieuwe Verordening 1/2003 van kracht. Het exclusieve recht dat de Commissie voor de toepassing van het derde lid van artikel 81 EG had, is afgeschaft en artikel 81 lid 3 EG is een direct werkende uitzonderingsbepaling geworden. Het opmerkelijke feit dat het secundair gemeenschapsrecht (Verordening 1/2003) bepaalt of het primaire gemeenschapsrecht (81 EG) directe werking toekomt, wordt veroorzaakt door artikel 83 EG. In artikel 83 EG wordt de Raad namelijk expliciet gemachtigd om verordeningen vast te stellen omtrent de wijze waarop artikel 81 lid 3 EG dient te worden toegepast, met inachtneming van de noodzaak enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren, anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen. Het gevolg is dat op grond van Verordening 1/2003 artikel 81 EG in zijn geheel moet worden toegepast door de nationale rechter.