Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.6
4.6.6 Rol van de raad van toezicht; vergoedingen aan bestuurders en aan derden
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383696:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bij de totstandkoming van de WS 1956 werd in dit verband niet gesproken over tegenstrijdig belang maar over het voorkomen van duplicering. Van der Grinten schrijft (Van der Grinten 1943, p. 260): “Indien een psycholoog een bureau voor psychotechniek opricht om zichzelf een goedbetaalde directeursbaan te verschaffen, riekt dit zeer commercieel. Gaat echter het initiatief ten deze uit van een niet belanghebbend comité, dan valt de niet-commercieele opzet van de stichting niet te ontkennen.”
Evenmin wordt overigens een passende bezoldiging van leden van de raad van toezicht zelf getroffen door het uitkeringsverbod. Zie ook Concept MvT btrp, p. 30.
Rechtbank Zwolle 1 augustus 2007, JOR 2007/296: “Indien de beloningen die de drie (oud-)bestuurders zichzelf aldus hebben toegekend excessief mochten blijken te zijn in verhouding tot de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en gemaakte onkosten, moet worden geconcludeerd dat het beroep op nietigheid van de managementovereenkomst door eiser terecht is gedaan.”
Van der Ploeg 2007.
Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 2.2, p. 20-21.
Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.3.2.
Schwarz 2011, p. 39: “Afhankelijk van de omstandigheden kan aantrekken van eigen vermogen, bijvoorbeeld voor een periode van dertig jaar in combinatie met een winstdelingsregeling, commercieel aantrekkelijker blijken dan een (niet achtergestelde) lening tegen vaste rente. In die omstandigheden zie ik geen beletsel om een winstdelingsafspraak als toelaatbaar te zien, ook niet als de oprichter of bestuurder van de stichting zelf kapitaalverschaffer is. Neemt niet weg dat een en ander gevoelig ligt want in die omstandigheden rendeert het kapitaal van de bestuurder in de stichting winstafhankelijk terwijl hij als bestuurder de stichting beheerst. Ik veronderstel dat juist om deze reden wel wordt geoordeeld dat deze situaties niet aanvaardbaar zouden zijn, een visie die ik niet deel.”
Zie bijvoorbeeld de constructie met winstcertificaten van Stichting RBOC “Fort Markenbinnen”, Hof Amsterdam 22 juli 2014,RO 2014/52, waar overigens de vraag of sprake was van overtreding van het uitkeringsverbod in de procedure niet aan de orde kwam. De daar gebruikte constructie lijkt, naar mijn mening, mede gelet op het stichtingsdoel, in strijd met het uitkeringsverbod te zijn.
Van Veen 2013, p. 132.
In vergelijkbare zin Van der Grinten 1943, p. 260.
Indien de stichting een raad van toezicht heeft ingesteld, is onderdeel van zijn taak er op toe te zien dat het bestuur geen verboden uitkeringen doet. De raad ziet er ook op toe dat in het statutaire en/of feitelijke doel van de stichting niet het doen van verboden uitkeringen opgenomen of besloten ligt.
Als een stichting een raad van toezicht heeft, zou de raad van toezicht het orgaan moeten zijn dat bestuurdersbeloningen vaststelt. Bestuurders zelf hebben immers een tegenstrijdig belang.1
Redelijke vergoeding
Een redelijke honorering van de werkzaamheden van een bestuurder wordt niet getroffen door het uitkeringsverbod, aangezien tegenover de uitkering een tegenprestatie staat.2 Zie ook het hiervoor in paragraaf 4.6.2 aangehaalde citaat van Minister Donker. In de praktijk zal het niet altijd eenvoudig zijn om vast te stellen wat een redelijk bestuurdersloon of een redelijke onkostenvergoeding is. Rechtbank Zwolle oordeelde in 2007 dat honorering van werkzaamheden en vergoedingen van onkosten redelijk moeten zijn in verhouding tot de verrichte werkzaamheden en de werkelijk gemaakte onkosten.3
Winstafhankelijke vergoedingen
Over de vraag of winstafhankelijke vergoedingen zijn toegestaan bestaat discussie in de literatuur. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen: (1) vergoedingen aan derden; en (2) vergoedingen aan bestuurders.
Van der Ploeg meent dat het belonen met een winstaandeel zonder meer niet toegestaan is, niet voor derden en evenmin voor bestuurders.4 Volgens Dijk/ Van der Ploeg staan contractuele arrangementen die aanspraak geven op een aandeel in het positief resultaat van de stichting op gespannen voet met het uitkeringsverbod.5 Anderen nemen wat betreft de eerste categorie, vergoedingen aan derden, aan dat redelijke vergoedingen (rente) voor het ter beschikking stellen van vreemd vermogen (leningen) in beginsel niet onder het uitkeringsverbod vallen. Volgens Pitlo/Raaijmakers is “een winstaandeel als tegenprestatie voor ter beschikking gesteld risicodragend vermogen ter financiering van een onderneming” niet aan te merken als een verboden uitkering.6 Schwarz acht winstdelingsafspraken onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar, overigens ook als de oprichter of bestuurder van de stichting de kapitaalverschaffer is.7
Als een stichting een constructie met (achtergestelde) winstdelende leningen of winstcertificaten kent, wordt de rechtsvorm van de NV of BV naar mijn mening benaderd, zeker als de vermogensverstrekkers (houders van winstdelende leningen) bovendien een stichtingsorgaan vormen dat invloed heeft op het bestuur en/of belangrijke zeggenschapsrechten heeft (zie wat betreft de vraag wat zeggenschapsrechten zijn ook de paragraaf over het ledenverbod hierna). In dat geval kunnen betalingen uit de winst van de stichting onder omstandigheden als verboden uitkering worden gezien.8
Bestuurdersbonussen
Wat betreft de tweede categorie ben ik met Van Veen eens dat niet alle resultaatgerelateerde beloningen van bestuurders (bonussen) op voorhand uitgesloten zijn. Van Veen tekent daarbij aan dat een beloning die winstafhankelijk is, waarschijnlijk onder het uitkeringsverbod valt,9 bijvoorbeeld wanneer de bestuurdersbeloning zodanig is gestructureerd dat naast de vaste vergoeding feitelijk steeds (een deel van) het exploitatieoverschot aan hem wordt uitgekeerd. In dat geval kan immers sprake zijn van “duplicering” van de bestuurder en dat is precies wat de wetgever trachtte te voorkomen. Met het uitkeringsverbod beoogde de wetgever immers stichtingen van “commerciële rechtspersonen” (NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) te onderscheiden. Een oprichter/bestuurder dient in een dergelijk geval te kiezen voor een “commerciële rechtspersoon”, zoals een BV. Hier kan tegen in gebracht worden dat van “duplicering” minder snel sprake is als er een raad van toezicht is ingesteld, aangezien het initiatief tot beloning in dat geval zal uitgaan van de raad van toezicht (vanwege het tegenstrijdig belang van bestuurders).10