Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.2.3
5.8.2.3 Art. 2:138/248 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306117:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 september 2009, JOR 2010, 29 (Bandel/Van den End q.q.), r.o. 3.4.
Vgl. Huizink 1989, p. 109.
Vgl. HR 23 november 2001, NJ 2002, 95 (Mefigro), r.o. 3.6.
Vgl. Bos 2008, p. 231.
HR 18 maart 2011, NJ 2011, 132. Dit arrest wordt in Hoofdstuk 6 uitgebreid behandeld.
Rechtbank Rotterdam 19 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:6573 (mr. Heijmeriks q.q./ MCL Holding). Zie voor een ander voorbeeld het vonnis van de Rechtbank Arnhem 23 mei 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW7461, in welke zaak de gedaagde aansprakelijk werd gehouden op grond van artt. 2:248 jo. 2:11 BW. Zie ook: Rechtbank Oost-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1102 en Rechtbank Gelderland 18 mei 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2709 (D.O.N. Detacherings Organisatie Nederland), r.o. 4.4.
Art. 2:138/248 BW betreft een vorm van externe bestuurdersaansprakelijkheid. Het betreft een aansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van de failliete boedel.1Art. 2:138/248 BW bepaalt dat in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Onbehoorlijk bestuur kan worden omschreven als bestuur dat onder de maat is van hetgeen in vergelijkbare omstandigheden van een bestuur dat zijn taak goed verstaat, mag worden verwacht.2 Voor zover hier van belang bepaalt art. 2:138/248 lid 2 BW dat – indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artt. 2:10 BW of 2:394 BW – het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. In dat geval wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Op de (mede-) beleidsbepaler rust – net als op de formele bestuurder – de administratieplicht en publicatieplicht vermeld in de artt. 2:138/248 lid 2 jo. 2:10 resp. 2:394 BW.3 Indien de eerstegraads-(mede-)beleidsbepaler deze verplichtingen schendt, rust de aansprakelijkheid op grond van art. 2:138/248 leden 1 en 2 BW – gelet op het bepaalde in art. 2:11 BW – tevens op de tweedegraads bestuurder.4
Een voorbeeld uit de jurisprudentie waarin een tweedegraads bestuurder aansprakelijk werd gesteld op grond van artt. 2:248 jo 2:11 BW betreft het arrest D Group-Schreurs.5 Ook de Rechtbank Rotterdam bevestigt in een uitspraak uit 2013 dat de aansprakelijkheidsregeling van art. 2:248 lid 1 BW op grond van art. 2:11 BW eveneens geldt voor tweedegraads bestuurders van de in staat van faillissement verkerende vennootschap.6