Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.6.1
4.6.1 Overeenstemming tussen partijen dat aan het samenhangcriterium is voldaan
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950278:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.6.
Zie voor voorbeelden uit de rechtspraak § 3.2.
Zie voor voorbeelden uit de rechtspraak § 4.3.2 en § 4.4.
Zie § 4.2.2.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1330, r.o. 2.5 en 4.4.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10557, r.o. 4.10; Rb. Zeeland-West-Brabant 22 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1896, r.o. 5.6 en Rb. Overijssel (vzr.) 22 september 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5386, r.o. 4.4. Zie ook Rb. Rotterdam 15 december 2021 ECLI:NL:RBROT:2021:12447, r.o. 4.13, over samenhang tussen een verbintenis uit hoofde van een geldleningsovereenkomst en schadevergoedingsvordering uit hoofde van een samenwerkingsovereenkomst (“A2SP heeft dit beroep [op opschorting] niet weersproken.”).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 14 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7307, r.o. 20.
Zie bijv. Rb. Den Haag 3 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4571, r.o. 4.94. Zie ook Rb. Noord-Holland 10 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2026, r.o. 4.6-4.7. Zie anders Rb. Noord-Holland 21 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11446, r.o. 4.52, waarin de rechtbank en opschortingsverweer niet honoreerde, mede omdat de schuldenaar de opschortingsbevoegdheid van de ander betwistte wegens gebrek aan voldoende samenhang, en Rb. Noord-Holland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9956, r.o. 2.5, 2.6 en 5.2, waarin, ondanks een wederzijds beroep op een opschortingsrecht in verband met dezelfde verplichtingen, het opschortingsverweer niet werd gehonoreerd.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 10 november 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9901, r.o. 6.5 (“Omdat uit de Whatsapp-berichten volgt dat [eiser] de graafmachine heeft weggenomen om zijn werkzaamheden door [gedaagde] betaald te krijgen, is de kantonrechter van oordeel dat er in dit geval sprake is van een zodanige samenhang tussen het (ten onrechte) achterhouden van de graafmachine en de betaling van de facturen door [gedaagde], dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting mocht opschorten totdat [eiser] de graafmachine had teruggegeven.”). Zie bijv. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2671, r.o. 2.57 (“Gelet op het betoog van Exact zelf, bestond de samenhang tussen AMOR en ACRE2 die artikel 6:52 BW vereist.”).
Zie bijv. Rb. Gelderland (vzr.) 31 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:650, r.o. 4.7.
De algemene opschortingsregeling in afdeling 6.1.7 BW is geheel van aanvullend of regelend recht. Partijen kunnen overeenkomen deze opschortingsregeling uit te sluiten, te beperken of te verruimen.1 Partijen kunnen een verruiming van de opschortingsregeling overeenkomen door bijvoorbeeld af te spreken dat tussen bepaalde verbintenissen, waartussen op grond van artikel 6:52 lid 1 BW niet een zodanige samenhang bestaat dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming te verlangen zonder gelijktijdig harerzijds nakoming aan te bieden, over en weer wel voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. Bijvoorbeeld in het geval waarin de twee overeenkomsten, waarin de verbintenissen hun oorsprong hebben, niet tussen dezelfde partijen bestaan.2 Of in het geval waarin die overeenkomsten niet een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding vormen en geen sprake is van zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.3 Mij zijn geen voorbeelden bekend waarin een dergelijke afspraak is gemaakt. In een dergelijk geval kan dan overigens tevens op grond van artikel 6:52 lid 2 BW aan het samenhangcriterium zijn voldaan, omdat door deze afspraak sprake kan zijn van een als eenheid bedoelde of te beschouwen rechtsverhouding (wat in dit voorbeeld zonder die afspraak niet zo is).4
Dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, kan expliciet worden overeengekomen.5 Het kan evenwel ook meer impliciet blijken uit de omstandigheden van het geval of daaruit worden afgeleid. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de vereiste samenhang niet in geschil is tussen partijen.6 Of wanneer een wederpartij in de opschorting berust.7 Dat het samenhangcriterium niet in geschil is tussen partijen kan mede blijken uit de omstandigheid dat partijen over en weer in verband met dezelfde wederzijdse verbintenissen een opschortingsverweer voeren.8 Ook kan uit gedragingen van de wederpartij worden afgeleid dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat.9 Het omgekeerde geval kan zich ook voordoen. De schuldenaar beroept zich wel op het algemene opschortingsrecht, maar erkent tevens dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit afzonderlijke, zelfstandige overeenkomsten, zodat niet voldaan is aan het samenhangcriterium.10
Opgemerkt zij nog dat partijen ook ter voorkoming van eventuele misverstanden kunnen afspreken dat tussen bepaalde verbintenissen over en weer wel of geen voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.