Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2.7:2.7 Leeswijzer
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2.7
2.7 Leeswijzer
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459441:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het navolgende tracht ik duidelijkheid te verschaffen over deze en andere aspecten van het vertrouwensbeginsel. Door het vertrouwensbeginsel aan de hand van verschillende dimensies te bespreken, wordt in deze studie een nadere analyse gegeven die vervolgens zal worden gebruikt om uiteen te zetten welke rol het vertrouwen(sbeginsel) zou kunnen en behoren te spelen in de context van de strafrechtelijke samenwerking in de Europese Unie. Daarbij zal steeds worden teruggegrepen op de drie verschillende uitwerkingen van het vertrouwensbeginsel zoals in het voorgaande geformuleerd en toegelicht, te weten:
de descriptieve werking van het vertrouwensbeginsel: rechtshulp pleegt alleen te worden verleend bij het bestaan van ten minste een minimum aan vertrouwen;
de normatiefvoorwaardelijke werking van het vertrouwensbeginsel: rechtshulp dient alleen te worden verleend bij het bestaan van ten minste een minimum aan vertrouwen;
de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel: bij de toetsing van een concreet verzoek dient terughoudendheid te worden betracht omdat reeds in abstracto het vertrouwen is uitgesproken.
In deel II van dit boek staat het vertrouwensbeginsel bij klassiekverdragsrechtelijke samenwerking centraal. Nadat in het inleidende eerste hoofdstuk van deel II (hoofdstuk 3) de door mij gehanteerde dimensies van het vertrouwensbeginsel kort worden benoemd, wordt elk van deze dimensies in de daaropvolgende hoofdstukken (hoofdstuk 4 tot en met 11) verder uitgewerkt en geanalyseerd. Deel II sluit ik af met een conclusie over de dimensies van het vertrouwensbeginsel (hoofdstuk 12).
In deel III staan vervolgens het onderling vertrouwen en het vertrouwensbeginsel in de Europese samenwerking in strafzaken centraal. Dat deel is minder conceptueel van aard dan deel II en behandelt, na een inleiding in hoofdstuk 13, de diverse meer concrete aspecten van die samenwerking, in het bijzonder het institutionele kader (hoofdstuk 14), maatregelen ter bevordering van het onderling vertrouwen (hoofdstuk 15) en concrete maatregelen tot samenwerking (hoofdstuk 16). Dat alles is in wezen een opmaat voor de synthese in hoofdstuk 17 van deel II en deel III: in dat hoofdstuk worden de in deel II geformuleerde dimensies toegepast op het in deel III geschetste EU-kader. Deel III wordt afgesloten met een conclusie in hoofdstuk 18, waarna in deel IV de algemene conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 19) en een slotbeschouwing (hoofdstuk 20) volgen.