Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.4.1:4.4.1 Het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel bij aanpassing van de maatregel met de Wet Boeten
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.4.1
4.4.1 Het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel bij aanpassing van de maatregel met de Wet Boeten
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258878:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Riphagen, AA 49 (2000) 12.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 228.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de verplichte sanctieoplegging is de uitsluiting van het evenredigheidsbeginsel ook een grote aanpassing aan het instrument van de maatregel en een inperking van de vrijheid van de uitvoeringsorganen. Het sanctiebeleid liet vóór de invoering van de Wet Boeten nuancering toe, omdat het altijd mogelijk was onder (verzwarende of verlichtende) omstandigheden af te wijken van het beleid. Ook de CRvB toetste het sanctiebeleid zeer kritisch. Sterker nog, een te ongenuanceerde, ongemotiveerde of te categoriale sanctietoepassing, dus te strikt aan de strafcategorieën aanhouden zonder met de omstandigheden van het geval rekening te houden, kon de rechterlijke toetsing niet doorstaan.1
Bij de invoering van de Wet Boeten heeft het kabinet de evenredigheidstoets bij het opleggen van de maatregel afgeschaft, omdat voorzienbare verwijtbare werkloosheid in alle gevallen moest leiden tot het weigeren van de WW-uitkering. De maatregel werd daarbij angstvallig door het kabinet en CRvB niet als een ‘criminal charge’ ex artikel 6 EVRM gekwalificeerd.2 Bij het toepassen van artikel 6 EVRM moet namelijk altijd een evenredigheidstoets plaatsvinden (paragraaf 4.5).
Het kabinet stelde zich op het standpunt dat hij zelf al een evenredigheidstoets bij de invoering van de wet had toegepast. Er was daarom geen bijzondere rechtvaardigingsgrond nodig voor het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel.3 Een blijvend gehele weigering van de uitkering werd door het kabinet altijd evenredig geacht als het verwijtbare gedrag redelijkerwijs voorzienbaar tot werkloosheid zou hebben geleid. De betrokkene had immers het verzekerde risico (werkloosheid) onnodig en voorzienbaar over zich afgeroepen en mocht dan niet worden beloond met een WW-uitkering. Daarbij maakte het volgens het kabinet niet uit of het ontslag kwam door het slaan van de werkgever of ondanks waarschuwing telkens te laat komen op het werk.4 De mate van laakbaarheid van een gedraging volgens maatschappelijke opvatting zou dus niet meer mogen uitmaken voor het weigeren of verlenen van de uitkering. Ook lichtere vormen van verwijtbare gedragingen zouden moeten leiden tot het weigeren van een WW-uitkering, indien de werknemer redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot werkloosheid zou leiden. Zelfs in de situatie dat de werknemer twijfelde of zijn gedrag tot werkloosheid zou leiden en desondanks dat gedrag vertoonde, had hij willens en wetens het risico op werkloosheid genomen. Als het uitvoeringsorgaan twijfelde over de verwijtbaarheid van het gedrag dan was er sprake van een geringe mate van voorzienbaarheid en zou dit niet tot een maatregel moeten leiden.5 Zo werd in eerste instantie een ‘alles-of-niets’- maatregel voorgesteld.