Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.1
4.3.4.1 Overdrachten onder het ‘oude’ regime
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495329:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
De rechtsoverwegingen van het hof worden geciteerd in het cassatiearrest HR 22 mei 1991, BNB 1991/208, maar het middel kon volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden.
Waarmee de inspecteur dus terugkomt op zijn eerdere standpunt. Dit komt mij wat onsympathiek over.
Besluit nr. DGB2003/4484M van de staatssecretaris van Financiën van 5 december 2003, V-N 2003/46.16, laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2016-204647 van 15 december 2016, V-N 2017/3.16 (zie paragraaf 4.3.4.4.3).
Opvallend is dat zowel de rechter als de staatssecretaris in hun onderbouwing verwijzen naar de wetsgeschiedenis, terwijl daar nergens in te vinden is dat bij cessie het recht op teruggaaf bij de overdragende ondernemer achterblijft. Er wordt dus een eigen interpretatie gegeven aan de parlementaire geschiedenis (aldus ook Van Oers 2007a, p. 69). Het verbaast mij overigens dat de tekst van het factoorsbesluit met ingang van 1 januari 2017 niet (ook) op dit punt is aangepast. Het lijkt mij namelijk evident dat een factoor met betrekking tot vanaf 1 januari 2017 overgenomen vorderingen met art. 29 lid 6 Wet OB 1968 uit eigen hoofde aanspraak op teruggaaf van belasting kan maken en dat door de overdracht de aanspraak bij de overdragende ondernemer is komen te vervallen.
Onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) kon een overnemer van een vordering ten overstaan van de Belastingdienst geen aanspraak maken op teruggaaf van btw als de vordering oninbaar bleek. Dit maakte dat het verzoek om teruggaaf steeds door of namens de overdrager gedaan moest worden, terwijl niet hij, maar de overnemer, wetenschap droeg omtrent de (on)inbaarheid van de betreffende vordering. Dat het recht op teruggaaf bij de leverancier achterbleef volgt uit Hof Amsterdam 11 april 1989, V-N 1990/1789, 1.4.1 In die zaak cedeerde een ondernemer een aantal handelsvorderingen aan een andere ondernemer. Vervolgens werd door de overdrager een verzoek om teruggaaf gedaan op grond van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017), waarop de inspecteur een teruggaaf verleende. Omdat later bleek dat de vordering toch nog door de debiteur (aan de overnemer) was voldaan, stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de betreffende teruggaaf ten onrechte was verleend.2 Als motivering bracht de inspecteur naar voren dat het verzoek, vanwege de cessie niet door de overdrager, maar door de overnemer had moeten zijn gedaan. Daarop overwoog het hof:
“5.1. Deze omstandigheid heeft evenwel niet tot gevolg dat belanghebbende geen aanspraak meer zou kunnen maken op teruggaaf van omzetbelasting ingevolge artikel 29, lid 1, van de Wet. De strekking van die bepaling is de door een ondernemer ter zake van een levering van goederen of een dienst voldane belasting te herzien. Het ligt naar 's Hofs oordeel dan ook in de rede het daaruit voortvloeiende recht op teruggaaf toe te kennen aan die ondernemer, ongeacht de handelingen die deze met betrekking tot zijn uit de levering of de dienst voortvloeiende vordering heeft verricht. De vorenbedoelde uitlegging van artikel 29, lid 1, van de Wet is ook overeenkomstig de bedoeling van de wetgever dienaangaande:
Die bepaling komt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ervan overeen – voor zover hier van belang – met artikel 28 van de Wet op de omzetbelasting 1954, zij het dat aanpassing heeft plaatsgevonden bij de techniek van het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (Tweede Kamer zitting 1967-1968, 9324, Memorie van Toelichting blz. 37 r.k. en 38 l.k.). Uit de bewoordingen van laatstbedoelde wetsbepaling volgde dat de aanspraak op teruggaaf toekwam aan de ondernemer die de desbetreffende levering of dienst had verricht.”
Deze visie is later door de staatssecretaris van Financiën overgenomen en gecodificeerd in het hierna te bespreken factoorsbesluit:3
“3. (...) Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de onderhavige wetsbepaling moet overigens ook worden afgeleid, dat de wetgever slechts de bedoeling heeft gehad meerbedoelde aanspraak op teruggaaf, welke niet accessoir aan de vordering is, aan de leverancier te laten toekomen en niet aan degene die de desbetreffende vordering eventueel heeft overgenomen. Evenmin bestaat aanleiding te veronderstellen dat de factoor uit eigen hoofde aanspraak op teruggaaf van belasting zou verkrijgen zodra een van de in artikel 29, eerste lid, van de Wet genoemde omstandigheden zich voordoet.”
Het bleef bij de overdracht van een vordering dus op de weg van de oorspronkelijke crediteur liggen om na te gaan wat er naderhand met de verkochte vorderingen gebeurde.4
Ik benadruk dat het ‘oude regime’ anno 2017 zijn belang niet verloren heeft: het vindt onverkort toepassing op vorderingen die vóór 1 januari 2017 zijn overgedragen.