Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.8
6.8 Natuurlijke verbintenis
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444851:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.1 e.v.
Zie evenzo Wessels, diss. (1988), par. 258 e.v.; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 73; Leuftink, p. 258; Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6021 en 6022 en Molengraaff-Star Busmann, De Faillissementswet, derde druk, p. 476 en 477.
HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686 (Van der Hoeven/Comtu). Zie ook paragraaf 6.4.
Dat wil zeggen het niet-voldane gedeelte van de vorderingen.
De natuurlijke verbintenis heeft een basis gekregen in art. 6:3 BW. Het bestaan van een natuurlijke verbintenis wordt geregeld in art. 6:3 lid 2 BW. In het kader van een akkoord wordt de afdwingbaarheid door (het systeem van) de wet onthouden. Zie echter Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 73 en Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6146. Afgezien van de afdwingbaarheid heeft een natuurlijke verbintenis dezelfde rechtsgevolgen als een civiele verbintenis. Op de natuurlijke verbintenis zijn de wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij uit de wet (of haar strekking) anders voortvloeit (art. 6:4 BW). Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 60 e.v.
Zie HR 3 november 1899, W 7354. Een natuurlijke verbintenis werd eveneens aangenomen door Rb. Amsterdam 4 december 1901, W 7757 en Hof Leeuwarden 31 maart 1943, NJ 1943, 695.
De enige schrijver die niet van een natuurlijke verbintenis wil weten, is Kuyk, De natuurlijke verbintenis en haar ontwikkeling in de practijk, Prae-adviezen Broederschap der Notarissen 1947.
Zie o.m. Molengraaff, p. 443; P.J. Dam, De natuurlijke verbintenis, WPNR 2001-2003; Eggens, De natuurlijke verbintenis en het belastingrecht, WPNR 3455-3459; Smits, R.M. 1926, p. 195 e.v.; Janssen, NJB 1942, p. 9 e.v.; Polak-Polak, Faillissement en surseance van betaling, 1972, p. 298; Vreeswijk, diss. (1973), p. 19; Wessels, diss. (1988), par. 261-268; Leuftink, p. 258; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 73.
In gelijke zin o.m. Molengraaff, p. 477; Polak-Polak, Faillissement en surseance van betaling, 1972, p. 195 e.v.; Leuftink, p. 258; Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 157 Fw, aant. 5 en Van der Heijden, Het akkoord buiten faillissement en surseance van betaling, NTBR 1994, p. 141.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 189 en vgl. art. 160 Fw.
Zie paragraaf 4.5.
De wet geeft met betrekking tot de inhoud van een akkoord geen nadere voorschriften.1 In een akkoord zal echter zelden de bepaling voorkomen dat schuldeisers hun vorderingen volledig voldaan zullen krijgen. In de regel wordt gedeeltelijke betaling aangeboden en bedingt de schuldenaar dat hem voor het onvoldane deel van de vorderingen 'finale kwijting' wordt verleend.2 Wat betekenen de woorden 'finale kwijting', indien zij in een akkoord worden opgenomen? In het normale juridische taalgebruik worden deze woorden immers gehanteerd om aan te geven dat door de bedongen 'finale kwijting', er niets meer van de vordering overblijft. Alvorens de zojuist gestelde vraag te kunnen beantwoorden, dient eerst de meer algemene vraag te worden beantwoord. Wat is de juridische status van het niet-voldane gedeelte van de vorderingen, nadat een akkoord is gehomologeerd?
In het arrest van 31 januari 1992 werden bovenstaande vragen aan de Hoge Raad voorgelegd.3 De vraag of de restantvorderingen4 - in casu de resterende 97,5% van de vordering - door het akkoord zijn tenietgegaan of na homologatie van het akkoord zijn blijven voortbestaan, wordt door de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.2 als volgt beantwoord:
"Een akkoord als bedoeld in de Faillissementswet heeft een beperkte strekking: het onthoudt slechts de afdwingbaarheid aan de na uitvoering van het akkoord onvoldaan gebleven gedeelten van de betrokken vorderingen. Dit blijkt met name uit het bepaalde in art. 160 Fw, dat krachtens art. 272 lid 5 Fw ook op een surséance-akkoord van toepassing is. Het strookt met die beperkte strekking aan te nemen dat de restantvorderingen als natuurlijke verbintenissen voortbestaan."
De Hoge Raad vervolgt in rechtsoverweging 3.2 dan met:
"Anders dan in onderdeel 2 wordt betoogd, is er geen grond om het voortbestaan als natuurlijke verbintenis slechts te aanvaarden indien het akkoord dit bepaalt. Evenmin zijn er goede redenen om, (...), het voortbestaan als natuurlijke verbintenis afhankelijk te stellen van het vereiste dat de schuldenaar in staat is het resterende gedeelte van de vordering te betalen."
De Hoge Raad is duidelijk over de juridische status van de restantvorderingen. Het zijn natuurlijke verbintenissen, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk in een akkoord staat opgenomen.5 Deze zienswijze van de Hoge Raad wekt geen verwondering. Sinds 1899 heeft de Hoge Raad dit standpunt ingenomen en sindsdien niet meer verlaten.6 Ook de literatuur stelt zich - op één uitzondering na7 - op dit standpunt.8
In het akkoord van Van der Hoeven staat opgenomen dat schuldeisers volledige kwijting verlenen van het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen. Wat betekenen de woorden Volledige kwijting' in het akkoord van Van der Hoeven? De onderdelen vier en vijf van het cassatiemiddel voeren aan dat in het akkoord van Van der Hoeven de restantvorderingen niet als natuurlijke verbintenissen zijn blijven voortbestaan, nu de schuldeisers op grond van art. 2A van het akkoord voor het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen, volledige kwijting hebben verleend. Er blijft - zo voert het cassatiemiddel aan - door de volledige kwijting niets meer van de vorderingen over. De Hoge Raad ziet dit toch anders en overweegt in rechtsoverweging 3.2 dat de betekenis van de woorden 'volledige kwijting' aan de hand van uitleg van de overeenkomst dient te worden bepaald.
"Dit oordeel (van het Hof) moet kennelijk aldus worden begrepen dat die kwijting niet kan worden aangemerkt als een kwijtschelding als bedoeld in art. 1474 (oud) BW maar moet worden opgevat als een verklaring dat het recht om de voldoening van de restantvordering af te dwingen wordt prijsgegeven.
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, nu het berust op de aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van het akkoord, niet op juistheid worden getoetst. Tot nadere motivering was het hof niet gehouden, mede in aanmerking genomen dat die uitleg overeenstemt met de heersende opvatting in de literatuur over dit onderwerp."
De betekenis van de woorden 'finale kwijting' in een akkoord dient volgens de Hoge Raad te worden bepaald aan de hand van uitleg van de overeenkomst. In het onderhavige akkoord betekenen deze woorden volgens de Hoge Raad dat geen sprake is van kwijtschelding, maar dat de restantvorderingen niet langer afdwingbaar zijn.9 De kwijting opgenomen in een akkoord heeft in beginsel een beperkte strekking. De restantvorderingen blijven met andere woorden als natuurlijke verbintenissen voortbestaan.10 Door de Hoge Raad wordt evenwel benadrukt dat de betekenis van 'finale kwijting' in een akkoord door middel van uitleg van de overeenkomst moet worden gevonden. In de optiek van de Hoge Raad zou dit kunnen betekenen dat in een ander akkoord dan de onderhavige de woorden 'finale kwijting' door middel van uitleg een afstand van recht zou kunnen inhouden in de zin van art. 6:160 BW. Ik vraag mij af of deze zienswijze juist is. Uit de wetsgeschiedenis en het wettelijk stelsel blijkt immers zonder meer dat bij een akkoord juist geen sprake is van kwijtschelding in de zin van art. 6:160 BW.11 Dit betekent dat ondanks de woorden 'finale kwijting' in een akkoord de restantvorderingen in beginsel resteren als natuurlijke verbintenissen. Hetzelfde heeft overigens te gelden, indien hierover niets in het akkoord staat opgenomen, omdat de juridische status van de restantvorderingen nu eenmaal in beginsel dwingend uit het wettelijk stelsel voortvloeit. Zouden partijen hierover anders kunnen overeenkomen? Gelet op het voorgaande zou dat in beginsel niet moeten kunnen, althans het kan geen afspraak zijn waarop de dwingendrechtelijke werking van art. 157 Fw van toepassing is. Het akkoord is echter ook een overeenkomst, waardoor het mogelijk is dat de schuldenaar met instemmende schuldeisers de afspraak maakt dat de restantvorderingen niet resteren als natuurlijke verbintenissen, maar dat sprake is van een afstand van recht in de zin van art. 6:160 BW. De gebondenheid aan deze afspraak vloeit dan voort uit art. 6:217 BW.12