Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.5.3
10.3.5.3 Verbintenissen uit overeenkomst
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582377:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie Strikwerda 2005, nr. 237; HvJ EG 22 maart 1983, zaak 34/82 (Peters/ZNAV), Jur. 1983, p. 987, NJ 1983, 644 m.nt. JCS; HvJ EG 8 maart 1988, zaak 9/87 (Arcado/Haviland), Jur. 1988, p. 1539, NJ 1990, 424 m.nt. JCS; HvJ EG 17 juni 1992, zaak C-26/91 (HandtelTMCS), Jur. 1992, p. 1-3967, NJ 1996, 316 en HvJ EG 27 oktober 1998, zaak C-51/97 (Réunion européenne/ Spliethoffs Bevrachtingskantoor), Jur. 1998, p. 1-6511, NJ 2000, 156 m.nt. PV.
Zo haalt Strikwerda HvJ EG 22 maart 1983, zaak 34/82 (Peters/ZNAV), Jur. 1983, p. 987, NJ 1983, 644 m.nt. JCS aan, waarin het HvJ EG de verplichting tot betaling van een geldsom op grond van een lidmaatschap van een vereniging beschouwt als een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5 sub 1 EEX-Vo. Het HvJ EG heeft in HvJ EG 6 oktober 1976, zaak 14/76, NJ 1977, 170 m.nt. JCS (De Bloos/Bouyer) bepaald dat onder het begrip verbintenissen uit overeenkomst ook de verbintenissen vallen die in de plaats treden van de geschonden contractuele verbintenis (denk aan de vervangende verbintenis tot schadevergoeding). De vervangen verbintenis schept in dat geval de competentie van de rechter, de vervangende verbintenis tot schadevergoeding schept de competentie niet. Zie Strikwerda 2005, nr. 237.
Strikwerda 2005, nr. 237; HvJ EG 4 maart 1982, zaak 38/81 (Effer/Kantner), Jur. 1982, p. 825, NJ 1983, 508 m.nt. JCS. Ingeval de rechter na zijn onderzoek naar de juistheid van de stelling tot de conclusie komt dat de overeenkomst inderdaad niet bestaat of niet tot stand is gekomen dan dient de rechter zich onbevoegd te verklaren. De afwijzing van de vordering is een andere mogelijkheid, onbevoegdverklaring is echter de oplossing die het best in het systeem past en waar in de literatuur de voorkeur naar uitgaat. Zie Strikwerda 2005, nr. 237.
HvJ EG 6 oktober 1976, zaak 12/76 (Tessili/Dunlop), Jur. 1976, p. 1473, NJ 1977, 169.
Zie ook Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 5 EEX-Vo, aant. 6.
HvJ EG 28 september 1999, zaak C-440/97 (Groupe Concorde), Jur. 1999, p. 1-6307, NI 2001, 595 m.nt. PV.
Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 5 EEX-Vo, aant. 6.
Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 5 EEX-Vo, aant. 6; HvJ EG 17 januari 1980, zaak 56/79 (Zelger/Salinitri), Jur. 1980, p. 89, NJ 1980, 511, m.nt. JCS; HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95 (MSG/Les Gravières Rhénanes), Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, m.nt. PV.
Zie Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 5 EEX-Vo, aant. 6.
Op vorderingen uit individuele arbeidsovereenkomsten zijn de art. 18-21 EEX-Vo van toepassing.
Bij een beroep op de nietigheid van een overeenkomst wegens schending van het mededingingsrecht kan het van belang zijn om te bepalen welke rechter bevoegd is om te oordelen over de nietigheid en het eventuele deel van de overeenkomst dat niet onder de nietigheidssanctie valt. In behandel hier dan ook kort een aantal bijzondere bevoegdheidsregels die op het eerste gezicht niet direct relevant zijn voor mededingingszaken, maar op het tweede gezicht toch relevant kunnen zijn. Bepalingen die strijdig zijn met het kartelverbod kunnen zich namelijk in allerlei overeenkomsten voordoen.
De hoofdregel voor verbintenissen uit overeenkomst is te vinden in artikel 2 van de EEX-VO. De rechter van het land waar de verweerder zijn woonplaats heeft, is bevoegd (forum rei). Voor wat betreft verbintenissen uit overeenkomst wordt het alternatieve forum gegeven in artikel 5 sub 1 EEX-VO. Alternatief bevoegd is het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Met overeenkomst wordt geen kartelovereenkomst in de zin van artikel 81 EG of 6 Mw bedoeld (althans niet per definitie), maar een overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 EEX-VO. Het begrip moet volgens het HvJ EG autonoom worden uitgelegd.1 Strikwerda wijst erop dat het HvJ EG het begrip overeenkomst ruim opvat en slechts negatief heeft afgebakend door te beslissen dat het begrip niet ziet op een situatie waarin geen sprake is van een verbintenis die een partij vrijwillig jegens een andere partij is aangegaan.2
De bijzondere bevoegdheidsregels betreffende verzekeringsovereenkomsten, consumentenovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten van huur en verhuur en pacht en verpachting van onroerend goed derogeren aan artikel 5 sub 1 EEX-VO. Ingeval het bestaan of de totstandkoming van een overeenkomst wordt bestreden (verweerder stelt dat de overeenkomst die de eiser ten grondslag legt aan zijn vordering niet bestaat of niet tot stand is gekomen) kan de eiser zich nog steeds wenden tot de rechter die krachtens artikel 5 sub 1 EEX-VO bevoegd is.3 Een partij die een beroep doet op de nietigheid van de overeenkomst op grond van het feit dat de overeenkomst in strijd is met het mededingingsrecht kan zich dus ex artikel 5 sub 1 EEX-VO wenden tot het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
Bij de toepassing van artikel 5 sub 1 EEX-VO rijst de vraag wat wordt bedoeld met de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Tenzij anders is overeengekomen, bepaalt artikel 5 sub 1 punt b EEX-VO de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt bij de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en bij de verstrekking van diensten. Voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken is dat de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden. Voor de verstrekking van diensten is dat de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
Vloeit de overeenkomst voort uit een andere overeenkomst dan de koop van roerende zaken en het verrichten van diensten, dan dient gekeken te worden naar de uitspraak van het HvJ EG in Tessili/Dunlop.4Op grond van dit arrest wordt de plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd, bepaald aan de hand van het materiële recht dat volgens het IPR van de aangezochte rechter op de overeenkomst van toepassing is.5 In het arrest Groupe Concorde heeft het HvJ EG deze lijn nog eens herhaald.6 Hoewel gewezen onder het EEX-verdrag behoudt deze jurisprudentie zijn betekenis onder de EEX-VO.
Bij koopovereenkomsten met betrekking tot roerende zaken en bij overeenkomsten tot het verstrekken van diensten (die een mededingingsbeperkende bepaling bevatten) kan de uitspraak van het HvJ EG in Tessili/Dunlop nog een rol spelen indien de plaats van uitvoering van de verbintenis niet in een lidstaat is gelegen. Artikel 5 sub 1 punt b EEX-VO is dan niet van toepassing en op grond van punt c dient in dat geval te worden teruggekeerd naar punt a. Met behulp van het op de overeenkomst van toepassing zijnde recht dient op grond van artikel 5 sub 1 punt a EEX-VO de plaats van uitvoering te worden bepaald. Ingeval deze plaats in een lidstaat ligt, is de aangezochte rechter alsnog bevoegd om van het geschil betreffende de verbintenis kennis te nemen.7
Indien partijen uitdrukkelijk in de overeenkomst afgesproken hebben waar de plaats van uitvoering van de verbintenis is gelegen, dan is dat de plaats van uitvoering ex artikel 5 sub 1 punt a EEX-VO. Aan de vormvoorschriften van artikel 23 EEX-VO (overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht) dient alleen voldaan te worden indien de plaats van uitvoering fictief is en er geen verband bestaat tussen de plaats van uitvoering en de reële inhoud van de overeenkomst.8
Ingeval de plaats van uitvoering een andere is dan de overeengekomen plaats doet zich de vraag voor welke rechter bevoegd is. Verdedigd kan worden dat de eiser de keuze heeft om het geschil aanhangig te maken bij de rechter van de in de overeenkomst aangewezen plaats of bij de rechter van de feitelijke plaats van uitvoering.9 Mocht dit niet worden aangenomen dan zou dat tot het onwenselijke resultaat kunnen leiden dat de debiteur de in het contract overeengekomen plaats van uitvoering kan wijzigen en daarmee zonder toestemming van de andere contractpartij(en) de rechtsmacht van de rechter van de in het contract overeengekomen plaats van uitvoering kan wijzigen.
Indien in de overeenkomst geen duidelijke plaats van uitvoering is vermeld, dient aan de hand van het op de overeenkomst toepasselijke recht bepaald te worden waar de plaats van uitvoering is gelegen. De aangezochte rechter zal aan de hand van zijn eigen IPR-regels het toepasselijke recht op de overeenkomst moeten bepalen. Zie voor het toepasselijke recht op overeenkomsten mijn bespreking in § 10.4.
Op vorderingen uit consumentenovereenkomsten zijn de artikelen 15-17 EEX-Vo van toepassing.10 Deze bepalingen zullen bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht een rol kunnen spelen indien bijvoorbeeld de consument de leverancier aanspreekt wegens schending van het mededingingsrecht.