Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.3
5.3.3 De CLRC
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CLRC 1966, par. 18.
De commissie verwijst hiertoe naar Matthews (1873), 12 Cox 489 en Thompson v Nixon [1966] 1 Q.B. 103; 49 Cr. App. R. 324.
Vgl. s. 1(2)(i)(d) Larceny Act 1916.
CLRC 1966, par. 21. De commissie verwijst hiertoe naar Thurborn (1849), 1 Den. 387.
S. 33(1) luidde:“Every person who receives any property knowing the same to have been stolen or obtained in any way whatsoever under circumstances which amount to felony or misdemeanour, shall be guilty of an offence of the like degree (whether felony or misdemeanour) and on conviction thereof liable
- (a)
in the case of felony, to penal servitude for any term not exceeding fourteen years;
- (b)
in the case of misdemeanour, to penal servitude for any term not exceeding seven years;
- (c)
in either case, if a male under the age of sixteen years, to be once privately whipped in addition to any punishment to which he may by law be liable.”
De commissie verwijst hiertoe naar Matthews (1950), 34 Cr. App. R. 55.
CLRC 1966, par. 22.De commissie verwijst hiertoe naar Johnson (1911), 6 Cr. App. R. 218.
(1885), 16 Q.B.D. 190.
CLRC 1966, par. 23.
[1956] 1 Q.B. 439; 40 Cr. App. R. 20.
[1958] 1 Q.B. 27; 41 Cr. App. R. 198.
CLRC 1966, par. 24.
CLRC 1966, par. 9.
CLRC 1966, par. 10-11.
CLRC 1966, par. 30.
CLRC 1966, par. 33.
Ik merk op deze plaats vast op dat deze definitie vrijwel letterlijk overeenkomt met de uiteindelijk in de Theft Act 1968 opgenomen definitie.
CLRC 1966, par. 38.
Vgl. s. 37(1) Larceny Act 1916.
CLR 1966, par. 59-62.
Dit werd overgenomen in s. 7 van de Theft Act 1968, maar met ingang van 1 oktober 1992 is dit teruggebracht naar zeven jaren, zie s. 26 van de Criminal Justice Act 1991 en www.legislation.gov.uk/ukpga/1968/60/section/7#commentary-c688796.
De door de CLRC gesignaleerde problemen
De CLRC oordeelde dat alleen al het feit dat het toe-eigenen van een goed van een ander onder drie verschillende strafbaarstellingen zou kunnen vallen, te weten larceny, embezzlement en fraudulent conversion, voor problemen zorgde. Zij illustreerde dat aan de hand van het volgende voorbeeld. Als een kassier zich onrechtmatig geld toe-eigende voordat hij het in de kassa had gedaan, was sprake van embezzlement. Als het geld al wel in de kassa was gestopt, bevond het zich volgens de doctrine in het bezit van de werkgever. Onrechtmatige toe-eigening was vanaf dat moment larceny. Weer anders was het als de dader geen werknemer was, maar in een andere fiduciaire relatie stond tot het slachtoffer. Toe-eigening van het geld kon dan fraudulent conversion opleveren. Het kwam de commissie onjuist voor dat zaken die zo weinig van elkaar verschilden, afhankelijk van details, onder verschillende bepalingen vielen, hetgeen voor problemen in de rechtszaal kon zorgen. Daar kwam bij dat rechters hun tijd niet aan dit soort technische details zouden moeten besteden en dat een veroordeling of vrijspraak er niet van afhankelijk mocht zijn.1
Een ander door de CLRC benoemd probleem was het tijdstip waarop de oneerlijke intentie gevormd moest zijn. Aangezien onder s. 1 van de Larceny Act 1916 voor taking nodig was dat de verdachte op het moment van de taking frauduleus handelde en de intentie had om de bezitter zijn goed te ontnemen, was het zo dat een onschuldige verkrijging gevolgd door een oneerlijke beslissing om het goed te houden, over het algemeen geen larceny opleverde. Dus een eerlijke vinder, die op het moment van het vinden van plan was het goed terug te geven aan de eigenaar, was niet schuldig wegens larceny als hij later van gedachten veranderde en het goed onrechtmatig hield. Ook maakte hij zich door die latere toe-eigening niet schuldig aan larceny as a bailee.2 Van larceny by finding was alleen sprake als de vinder op het moment van het vinden geloofde dat de eigenaar door het nemen van redelijke maatregelen kon worden ontdekt, maar hij deze maatregelen achterwege liet en het goed voor zichzelf hield.3 Als bleek dat de vinder niet geloofde dat de eigenaar door die redelijke maatregelen kon worden ontdekt, was hij niet schuldig aan larceny, zelfs niet als hij op het moment van vinden de intentie al had om het gevondene te houden en de eigenaar hem later bekend werd.4 Hetzelfde gold voor gestolen goederen. Als een persoon gestolen goederen in zijn bezit kreeg en op dat moment van plan was de goederen te overhandigen aan de eigenaar of een andere vertrouwde houder, dan pleegde hij niet het delict receiving stolen property als bedoeld in s. 33 van de Larceny Act 1916.5 Een latere oneerlijke beslissing om de goederen te houden, maakte hem niet schuldig aan larceny.6 Ook pleegde de ontvanger niet het delict van receiving stolen property als hij op het moment van het verkrijgen van het goed niet wist dat het gestolen was en hij pleegde ook geen delict als hij er later achterkwam dat het gestolen was en besloot de goederen te houden.7
Eveneens voor moeilijkheden zorgden de zaken over dishonest retention van een goed dat iemand als gevolg van een fout had verkregen. In de zaak Ashwell8 vroeg de verdachte iemand om hem een shilling (= geldstuk dat 0,05 pond waard was) te lenen. Hij kreeg in het donker een sovereign (= geldstuk dat 1 pond waard was), waarvan beiden dachten dat het een shilling was. Een uur later kwam de verdachte achter de vergissing, wisselde de munt en gaf een gedeelte uit. Hij werd in eerste instantie veroordeeld wegens larceny van de sovereign. De rechters in hoger beroep waren verdeeld over de vraag of dit larceny was. Ten tijde van de totstandkoming van het rapport van de commissie, in 1966, zou het standpunt zijn dat er geen sprake was van larceny omdat er geen intentie om te stelen was op het moment dat de munt overhandigd werd. De feiten pasten volgens de CLRC ook zeker niet onder s. 1(2)(i)(c) van de Larceny Act 1916, dat bepaalt dat taking ook omvat het verkrijgen van bezit door een fout van de eigenaar, terwijl degene die het goed in bezit krijgt daarvan kennis draagt.9 De CLRC ging er kennelijk vanuit dat de eigendom van het goed was overgegaan en Ashwell slechts een schuld aan de ander had, zodat evenmin sprake kon zijn van larceny door een bailee.
Er waren nog twee, voor die tijd recente, uitspraken die volgens de CLRC de problemen op dit gebied van de law of larceny goed illustreerden.
In Moynes v Coopper10 kreeg een werknemer een loonzakje waarin door een fout teveel geld zat. Toen hij bij opening van het loonzakje de fout ontdekte, besloot hij om al het geld te houden. De meerderheid van de rechters vond dat hij niet strafbaar was wegens diefstal van het overschot, omdat in het licht van s. 1(2)(i)(c) van de Larceny Act 1916 de relevante taking plaatsvond op het moment dat hij het loonzakje ontving en er op dat moment geen sprake was van een oneerlijke intentie.
In Russel v Smith11 ontdekte een vrachtwagenchauffeur dat er acht zakken varkensvoer te veel in zijn vrachtwagen waren geladen door een fout van de werknemers van zijn opdrachtgever. Hij vormde de oneerlijke intentie om zich de zakken toe te eigenen, reed weg en verkocht ze. Hij werd schuldig bevonden wegens larceny omdat, anders dan in de zaak Moynesv Coopper, er geen sprake was van een taking van de zakken voordat hij de fout ontdekte en hij pas op dat moment de oneerlijke intentie vormde. De vrachtwagenchauffeur had op het moment van de taking immers zelf nog geen enkele handeling ten opzichte van de zakken verricht. Dat deed hij pas toen hij de fout ontdekte en op datzelfde moment nam hij zijn oneerlijke besluit.
In beide zaken was sprake van oneerlijke toe-eigening van het goed. Maar omdat de oneerlijkheid werd gepleegd onder ietwat verschillende omstandigheden, zijn de uitspraken verschillend. De twee zaken zijn voor de commissie een sterk argument voor het hervormen van de wet.12
De door de CLRC gesignaleerde problemen ten aanzien van de delicten larceny by a trick en obtaining by false pretences worden in paragraaf 5.7 besproken.
Voorstellen van de CLRC
Bij het definiëren van de nieuwe delicten concentreerde de commissie zich op de essentiële bestanddelen van die delicten. De commissie heeft geprobeerd te voorkomen gedetailleerde onderscheidingen te maken, in het bijzonder wat betreft de manier waarop de delicten kunnen worden gepleegd. Het wetsvoorstel van de commissie bracht een groot aantal vermogensdelicten onder één strafbaarstelling (theft).13 Ook heeft de commissie, behalve wat betreft robbery, burglary, criminal deception en taking a motor vehicle or other conveyance without authority, volstaan met één strafmaximum. Onder de Larceny Act bestonden vele strafmaxima, waarbij verschillende factoren in aanmerking dienden te worden genomen. Die strafmaxima dateerden volgens de commissie uit een tijd waarin het meer gebruikelijk was maximumstraffen op te leggen en de wetgever de strafoplegging niet volledig aan de rechters toevertrouwde. De commissie zag dit voor een groot deel als de oorzaak van de grote verscheidenheid aan delicten en de daarbij behorende problemen van het toenmalige recht. In de tijd van de commissie was het inmiddels gebruik geworden omde maximumstraffen te reserveren voor de ergste vormen van de delicten.14
Theft
Volgens de commissie was het delict fraudulent conversion waardevol gebleken. Het omvatte in duidelijke taal vele omstandigheden onder welke een goed onderhevig kon zijn aan onrechtmatig gebruik. Het idee dat besloten lag in de woorden “fraudulently converts to his own use or benefit, or the use or benefit of any other person” correspondeerde met wat de commissie voorstelde als de essentie van het nieuwe delict theft.15
Het delict theft moest larceny, embezzlement en fraudulent conversion vervangen. Het belangrijkste element van deze delicten was de “dishonest appropriation of another person’s property” en volgens de commissie was het niet alleen logisch, maar ook principieel juist om dit tot het centrale element van het delict te maken. Op die manier kon de wet zich concentreren op wat de verdachte oneerlijk verkreeg of probeerde te verkrijgen en niet op de wijze – door taking of op een andere manier – waarop hij dat deed. Dit zou naar het oordeel van de commissie een veelvoud aan delictsomschrijvingen voorkomen. Daarom luidde s. 1(1) van het wetsvoorstel als volgt:
“A person is guilty of theft if he dishonestly appropriates property belonging to another with the intention of permanently depriving the other of it; and ‘thief’, ‘steals’ and ‘stolen’ shall be construed accordingly.”1617
De CLRC heeft zich tijdens de beraadslagingen lange tijd op het standpunt gesteld dat het algemene delict theft ook obtaining by false pretences zou moeten omvatten, zodat het zoveel mogelijk gevallen van het oneerlijk verkrijgen van goederen zou beslaan. Omdat het laatste delict echter zo wezenlijk anders is dan theft – in het bijzonder omdat in het geval van obtaining by false pretences de eigenaar er als het ware mee instemt om te worden gescheiden van zijn eigendom – is daar uiteindelijk toch vanaf gezien.18 Het oude delict obtaining by false pretences, de opvolger deception en het huidige delict fraud worden in paragraaf 5.7 besproken.
Strafmaxima
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kende de Larceny Act 1916 verschillende strafmaxima. Het maximum voor eenvoudige larceny was vijf jaar gevangenisstraf. In geval van recidive werd dat maximaal tien jaren.19 Verder stonden op het stelen van bepaalde soorten goederen onder bepaalde omstandigheden verschillende strafmaxima. De commissie raadde aan de maximumstraf voor alle gevallen van stelen te stellen op tien jaar gevangenisstraf.2021