Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.2
5.3.2 De Larceny Act 1916
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Smith 1994, par. 1.09.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.01.
Een chattel is een roerend goed, ter onderscheiding van land. Bij wijze van uitzondering wordt geld in het algemeen niet als chattel aangemerkt, hoewel het wel een roerend goed is en altijd larcenable was. Het recht dat van toepassing is op chattels is over het algemeen ook van toepassing op geld. Zie Smith 1994, par. 1.09, noot 35.
Smith 1994, par. 1.09.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.11.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.19.
Op deze plaats wijs ik er vast op dat het verschil tussen larceny by a trick en het later te bespreken obtaining by false pretences (s. 32 van de Larceny Act 1916) volgens de CLRC te subtiel was. Het essentiële verschil tussen beide delicten was dat het slachtoffer van larceny by a trick zijn eigendom niet verloor, maar het slachtoffer van obtaining by false pretences wel. Het was moeilijk een logische grens tussen deze twee delicten trekken en vast te stellen of sprake was van het een of het ander. Voorts waren de twee delicten zo opgesteld dat ze elkaar uitsloten. Deze problemen werden niet geheel opgelost door s. 44 van de Larceny Act 1916, dat een soort alternatieve bewezenverklaring mogelijk maakte, vgl. CLRC 1966, par. 19.
Met het woord eigendom bedoel ik ownership. Met bezit bedoel ik possession. De verschillen tussen het Nederlandse en Engelse recht op die gebieden laat ik, tenzij relevant, voor wat ze zijn.
Smith 1994, par. 1.11.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.20.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.21.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.22.
CLRC 1966, par. 29.
Hieruit zal afgeleid moeten worden dat in die gevallen kennelijk geen sprake was van bailment. Anders lijkt het delict voor die gevallen overbodig.
CLRC 1966, par. 30.
In s. 20(1)(i) tot en met s. 20(1)(iii) van de Larceny Act 1916 waren ook nog andere gevallen van onrechtmatig gebruik door personen in bepaalde posities vastgelegd.
Griew 1995, par. 2.02.
Larceny
Larceny, ook wel stealing genoemd, was een van de eerste strafbare feiten.1 De common law begon met een ruwe definitie van stealing die alleen de meest voor de hand liggende manier van het wegnemen van eigendom omvatte.2 Oorspronkelijk kon het worden omschreven als “the unlawful taking of a chattel3 or money by one person from another with the intent to steal”.4
In de Larceny Act 1916, waarin de common law op het gebied van de vermogensdelicten was gecodificeerd,5 waren verschillende delicten strafbaar gesteld. In s. 2 van de Larceny Act 1916 was simple larceny strafbaar gesteld:
“Stealing for which no special punishment is provided under this or any other Act for the time being in force shall be simple larceny and a felony punishable with penal servitude for any term not exceeding five years (...).”
Wat onder stealing moest worden verstaan, stond in s. 1(1):
“A person steals who, without the consent of the owner, fraudulently and without a claim of right made in good faith, takes and carries away anything capable of being stolen with intent, at the time of such taking, permanently to deprive the owner thereof.”
De betekenis van taking was onder de common law steeds verder uitgebreid.6 In de Larceny Act 1916 werden deze uitbreidingen vastgelegd. S. 1(2)(i) luidde als volgt:
“the expression “takes” includes obtaining the possession
by any trick;7
by intimidation;
under a mistake on the part of the owner with knowledge on the part of the taker that possession has been so obtained;
by finding, where at the time of the finding the finder believes that the owner can be discovered by taking reasonable steps;”
Blijkens de hiervoor genoemde definitie van stealing was het essentieel dat naast taking ook sprake was van carrying away. Volgens s. 1(2)(ii) hield dit het volgende in:
“the expression “carries away” includes any removal of anything from the place which it occupies, but in the case of a thing attached, only if it has been completely detached;”
Larceny was geen inbreuk op eigendom, maar op bezit.8 Dit was gedeeltelijk zo omdat het doel van de wet was om de rust te bewaren, zodat het de directe bezitter van het goed was die werd gezien als slachtoffer van de theft, en niet de eigenaar. Vaak vielen eigendom en bezit samen, maar dat hoefde niet het geval te zijn. Een vaak voorkomend geval waarin eigendom en bezit werden gescheiden, was bailment. Bailment is een algemene naam voor verschillende juridische transacties zoals leen, pand, verhuur, opslag, vervoer en reparatie. Over het algemeen wordt het goed door de bailor aan de bailee toevertrouwd met een bepaald doel, zoals transport of reparatie. Als dat doel bereikt is, moet het goed geretourneerd worden aan de bailor of aan een door hem aangewezen derde.9
Taking and carrying away was – vanzelfsprekend – niet noodzakelijk in het geval waarin een bailee stal van een bailor. De bailee had het goed immers al onder zich. S. 1(1) hield voor die gevallen (tevens) in:
“(…) a person may be guilty of stealing any such thing notwithstanding that he has lawful possession thereof, if, being a bailee or part owner thereof, he fraudulently converts the same to his own use or the use of any person other than the owner.”
Het was bijvoorbeeld genoeg dat de verdachte goederen verkocht die hij als bailee onder zich had. In het delict larceny lag dus ook wat wij in Nederland verduistering zouden noemen besloten. Hoewel larceny zoals gezegd gewoonlijk wordt omschreven als een inbreuk op bezit, was larceny door een bailee een inbreuk op de rechten van de eigenaar.10
Larceny by a servant
Larceny door werknemers was apart strafbaar gesteld, en wel in s. 17(1)(a):
“Every person who
being a clerk or servant or person employed in the capacity of a clerk or servant
steals any chattel, money or valuable security belonging to or in the possession or power of his master or employer; (…)
shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding fourteen years (...).”
Al onder de common law was het een uitgemaakte zaak dat goederen die een werkgever zijn werknemer toevertrouwde, in het bezit van de werkgever bleven. De werknemer was slechts houder. Het toe-eigenen van de goederen door de werknemer leverde een taking van de goederen uit het bezit van de werkgever op, en daarmee larceny.11 Ook larceny by a servant zouden we in Nederland als verduistering aanmerken.
Embezzlement
De situatie was anders als de werknemer goederen van een derde ontving met de bedoeling deze over te dragen aan zijn werkgever. In dat geval werd aangenomen dat de werknemer het bezit had verkregen, zodat het onder de common law voor hem niet mogelijk was om larceny te plegen. Hij was zonder twijfel een bailee, maar in 1799, voordat er regelgeving was die handelde over bailees in het algemeen, werd het delict embezzlement gecreëerd om in deze situaties toe te passen. De strafbaarstelling van embezzlement werd vastgelegd in s. 17(1)(b) van de Larceny Act 1916:12
“Every person who
(1) being a clerk or servant or person employed in the capacity of a clerk or servant
(…)
(b) fraudulently embezzles the whole or any part of any chattel, money or valuable security delivered to or received or taken into possession by him for or in the name or on the account of his master or employer,
(…)
shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding fourteen years (...).”
Een onderzoek naar de toereikendheid van het delict embezzlement vond de CLRC onnodig, omdat het onderscheid tussen embezzlement en larceny volgens de commissie duidelijk een van de technische onderscheidingen was die afgeschaft zou moeten worden. Embezzlement werd – volgens de commissie – volledig omvat door het hierna te noemen fraudulent conversion, behalve dan dat er op embezzlement een hogere straf stond.13
Fraudulent conversion
De essentie van het delict fraudulent conversion was onrechtmatig gebruik van een goed door iemand die dit goed in bezit heeft namens iemand anders. Het delict was volgens de CLRC gecreëerd voor onder meer die gevallen van oneerlijk onrechtmatig gebruik die niet onder larceny vielen (omdat geen sprake was van taking)14 en evenmin onder embezzlement (omdat de verdachte geen werknemer was).15 In s. 20(1)(iv) van de Larceny Act 1916 werd het als volgt omschreven:
“1) Every person who— .
(…)
(iv)(a) being entrusted either solely or jointly with any other person with any property in order that he may retain in safe custody or apply, pay, or deliver, for any purpose or to any person, the property or any part thereof or any proceeds thereof; or
(b) having either solely or jointly with any other person received any property for or on account of any other person;
fraudulently converts to his own use or benefit, or the use or benefit of any other person, the property or any part thereof or any proceeds thereof;
shall be guilty of a misdemeanour and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding seven years.”16
Op het eerste gezicht lijkt dit feit ook larceny door een bailee, larceny by a servant en embezzlement te omvatten, maar voor die gevallen bestonden al strafbepalingen. Onder het delict vielen zo ongeveer alle andere personen die zich schuldig maakten aan onrechtmatig gebruik van goederen die hen toevertrouwd waren, zoals de penningmeester van een sportclub die zich geld van de club toe-eigent en de curator die zich geld uit de boedel toe-eigent.17 Ook dit zouden we in Nederland verduistering noemen.