Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/5.2.2.3
5.2.2.3 Welke problemen worden door de schets opgelost?
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS452756:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
1-1R 31 mei 2002, NJ 2003, 589.
Zie onder meer mijn bespreking van het boekje van Ekelmans, De exhibitieplicht in kort bestek, TCR 2008, p. 60-64. Een ander voorbeeld is het flesje nepparfum. Zie ook het in 1893 door Ligtenberg gegeven 'hondenvoorbeeld', genoemd in par. 2.1.2 van dit boek. Asser-Anema-Verdam schrijft op p. 234 dat het exhibitierecht in de ruimere zin van het woord zich uitstrekt over geschriften en andere goederen (in het Romeinse recht de 'actio ad exhibendum'), maar dat het antwoord op de vraag in hoeverre een dergelijk algemeen vertoningsrecht van zaken in het Nederlandse recht bestaat, terzijde kan worden gelaten.
De hamvraag is natuurlijk of deze schets problemen oplost die de huidige tekst van art. 843a Rv onopgelost laat. Op een enkele uitzondering na eigenlijk niet. Uit de hoofdstukken zeven en acht van dit boek blijkt dat de problemen met de tekst van art. 843a Rv vooral worden veroorzaakt door de woorden 'rechtmatig belang', 'rechtsbetrekking waarin hij partij is' en 'bepaalde bescheiden'. Deze begrippen bieden ruimte voor velerlei verschillende opvattingen. Diezelfde probleemgebieden bestaan echter ook in de schets, alleen zijn die gebieden gecamoufleerd met meer woorden. Zo komt het woord 'rechtsbetrekking' terug in een lange zinsnede die echter niets verduidelijkt. Ik begrijp in elk geval niet welke duidelijkheid de woorden 'het wel of niet bestaan, de inhoud of de omvang van een burgerrechtelijke rechtsbetrekking' wel bieden die het simpele woord 'rechtsbetrekking' niet biedt. Het begint een beetje op Amerikaans contracteren te lijken: schrijf zoveel mogelijk op in een poging alles te regelen. Hierbij worden in elk geval twee dingen vergeten. Ten eerste wordt vergeten dat hoe meer er wordt opgeschreven, hoe meer tekst er is om verschil van mening over te hebben. Ten tweede leidt veelschrijverij bij wetgeving al snel tot a-contrario redeneringen terwijl het vaak maar de vraag is of de wetgever het geval dat niet is genoemd maar zich op dat moment voordoet, wel heeft voorzien.
De schets omschrijft de huidige in art. 843a Rv neergelegde woorden 'rechtmatig belang' in art. 155b lid 1 en wel met de woorden dat de verplichting tot gegevensverstrekking slechts bestaat
`voorzover dat met het oog op de in aanmerking te nemen belangen niet als kennelijk onevenredig is aan te merken. Bij de beoordeling of dit geval zich voordoet houdt de rechter rekening met de belangen van de betrokkenen, daaronder mede begrepen het gewicht van de burgerrechtelijke rechtsbetrekking waarop de aanspraak betrekking heeft, de belasting die van de tot verstrekking aangesprokene of van anderen gevergd wordt en gerechtvaardigde aanspraken op het in acht nemen van vertrouwelijkheid of het respecteren van de persoonlijke levenssfeer. Tot de in aanmerking te nemen belangen behoren ook aspecten betreffende de goede procesorde. De rechter houdt tevens, en zo nodig ambtshalve, rekening met aspecten van algemeen belang'.
Een prachtige omschrijving van rechtmatig belang, maar zo abstract dat met die woorden geen enkel probleem wordt opgelost dat niet valt op te lossen of al is opgelost met de woorden 'rechtmatig belang'. Het is met deze omschrijving in vergelijking met het huidige art. 843a Rv wel duidelijker dat bij het oordeel rekening moet worden gehouden met de belangen van beide partijen. Art. 843a Rv bepaalt op dit moment immers niet met zoveel woorden dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van rechtmatig belang, ook het belang van de wederpartij in overweging genomen moeten worden. Uit het hierna in par. 8.1.1 nader te bespreken `Observatiearrest'1 blijkt overigens dat in de rechtspraak bij de uitleg van het woordenpaar 'rechtmatig belang' thans al wel rekening wordt gehouden met de belangen van anderen. Voor zover dit niet bij de beoordeling van dit begrip al gebeurde, verplicht lid 4 van art. 843a Rv de rechter om rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van derden.
Ik vermoed dat de rechter met deze lange omschrijving van de ABP in zijn vonnis braaf zal opschrijven dat hij bij de toetsing rekening heeft gehouden met onder meer alle in lid 1 van art. 155b genoemde gevallen en het daar vervolgens bij laat, tenzij een partij met zoveel woorden over een of meerdere onderdelen van het lid om een oordeel vraagt.
De woorden 'bepaalde bescheiden' komen in die combinatie niet voor in de schets. Dat is niet alleen omdat het woord 'bescheiden' is vervangen door `gegevens'. De ABP heeft deze woorden wel proberen te vangen en dat is in die zin gelukt dat eigenlijk de hele regeling doordrenkt is met de geest van deze twee woorden. Zo is het woord 'bepaald' omschreven in de eerste zin van lid 2 van art. 155a en ook lid 3 van art. 155c bevat een regel waarin de woorden 'bepaalde bescheiden' zijn omschreven en wel in de regel 'De voormelde gegevens worden zo nauwkeurig mogelijk omschreven'. Hieraan wordt dan nog toegevoegd dat art. 111 derde lid, eerste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is. Lid 5 van art. 155c geeft de rechter ook een taak bij de invulling van 'bepaalde bescheiden'. De rechter moet namelijk nauwkeurig formuleren in welke omvang en vorm en, voor zover van toepassing, met inachtneming van welke beperkingen de verstrekking dient te geschieden. Meer duidelijkheid over de inhoud van het woordenpaar 'bepaalde bescheiden' wordt met al deze woorden niet gegeven.
Wat zijn de zinvolle toevoegingen of veranderingen?
Opname van de regeling omtrent inzage in de regeling van het bewijsrecht is een verademing. De bewijsimplicaties van dit recht zijn zo groot dat het zonder meer een plaats in het bewijsrecht verdient. Het artikel lijkt mij verder inderdaad zo belangrijk dat het terecht wordt opgenomen als (slot)bepaling in de eerste paragraaf, genaamd 'Algemene bepalingen van bewijsrecht'. Indien de wetgever dit plaatsingsvoorstel van de ABP overneemt, zal dat zijn op basis van voortschrijdend inzicht gebaseerd op historisch besef. De wetgever van het BW van 1830 plaatste de voorganger van art. 843a Rv, art. 1932 BW, immers al tussen de artikelen betrekking hebbend op het bewijsrecht en daar zijn alle opvolgers van art. 1932 BW telkens blijven staan, totdat de wetgever van 1988 het artikel overbracht naar art. 843a Rv in de afdeling 'Afschrift, uittreksel en inzage van akten en andere bewijsmiddelen'. Deze beslissing zal zeker hebben bijgedragen aan het geringe gebruik dat na 1988 van het artikel is gemaakt.
De schets maakt een eind aan de woorden 'inzage, afschrift of uittreksel'. Dit trio wordt vervangen door het simpele 'inzage of het verstrekken van een kopie'. Waar ruzie kan ontstaan over de vraag of een uittreksel wel de lading dekt, is het verstandig om die mogelijkheid uit te sluiten. Ik merk hierbij wel op dat ik in de jurisprudentie geen gevallen heb gezien waarin problemen waren omtrent het verschaffen van een uittreksel.
Het is verder verstandig, zoals de schets in art. 155b lid 2 vermeldt, om te bepalen dat de rechter ook kan besluiten om de verstrekking onder voorwaarden of beperkingen te gelasten.
Bezien vanuit de wetsgeschiedenis kan zonder meer worden verdedigd dat het woord 'bescheiden' in art. 843a Rv uitgelegd moet worden aan de hand van het woord 'stukken'. Het moet dan dus gaan over schriftelijke bescheiden en, gelet op de laatste zin van lid 1 van art. 843a Rv, mede om op een gegevensdrager aangebrachte gegevens. De vraag of ook een bij een botsing betrokken auto, waarbij eventueel uit de aard en plaats van de schade afgeleid zou kunnen worden aan wie de aanrijding moet worden toegerekend, een bescheid is in de zin van dit artikel waarvan men 'inzage' kan vragen, werd overwegend negatief beantwoord.2 De ruimere tekst van de schets in de leden 1 en 2 van art. 155a maakt een eind aan deze discussie. De betreffende beschadigde auto bevat zonder meer gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van een rechtsbetrekking en de gegevens kunnen ook worden verstrekt. Ik denk dat ook een slecht gebouwd huis wat dat betreft gegevens bevat die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of er tussen partijen een rechtsbetrekking bestaat die 'wanprestatie' kan worden genoemd. Als de ABP ook dit huis onder art. 155a heeft willen laten vallen, lijkt dit te worden uitgesloten door de beperkte formulering van lid 3 van art. 155a. Daar is immers vermeld dat de verstrekking geschiedt door het geven van inzage in de desbetreffende gegevensdrager of het verstrekken van een kopie daarvan. Dat is niet echt een formulering waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat de auto of een gebrekkig gebouwd huis onder de bepalingen van de schets valt.
Concluderend geeft de schets een wel hele lange regeling waarin maar enkele kleine problemen die het huidige art. 843a Rv kent worden opgelost.