Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.8:9.4.8 Burgerschapsvorming: kennis, vaardigheden en minima moralia
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.8
9.4.8 Burgerschapsvorming: kennis, vaardigheden en minima moralia
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977425:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de uitspraken in de casus As Sieddiq en Haga Lyceum blijkt dat de algemene doelbepaling ruimte laat voor een schooleigen invulling van de burgerschapsopdracht en dat de minister beperkt kan toetsen. Zou de minister als gevolg van deze uitspraken breder dan thans het geval is, willen beoordelen of burgerschapsonderwijs wordt gegeven, dan dient de formele wetgever daarvoor de legitimatie te verschaffen.1 In par. 10.7 kom ik hierop terug.
Om een voorbeeld ter verduidelijking te geven: mijn voorstel tot wijziging van bevordering van actief burgerschap en sociale integratie in de bevordering van democratisch burgerschap en sociale integratie vergt een wijziging van de toetsingsgronden in het toezichtkader. Het toezicht houden door de inspectie komt in een ander daglicht te staan, wat ik overigens ten zeerste zou toejuichen. In dergelijk geval moet het bevoegd gezag namelijk meewerken aan de uitvoering van de wettelijke opdracht. Het verzaken of tekortkomen is door de inspectie aan te merken als in onvoldoende mate uitvoering geven aan de opdracht om het democratisch burgerschap te bevorderen. De aangescherpte bepaling, in combinatie met het door de minister vastgestelde toetsingskader, vormt voor de inspectie alsdan de norm voor bekostiging.
Dijkstra ziet in 2015 in antwoord op de casus-As Siddieq een ondergrens bij de opdracht.2 Die ondergrens ziet hij in de ‘bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en, ook proactief, in het tegengaan van strijdigheid hiermee’. De opdracht regelt niet hoe scholen doelen bevorderen, maar de gerichtheid erop. Daarom heeft de opdracht het karakter van een doelbepaling, waarvan de invulling aan de school is die zich over de werkwijze en de resultaten verantwoordt in het schoolplan en de schoolgids.3
Voor de bijdrage aan de democratische rechtsstaat is staatsburgerlijke vorming vereist. Er bestaat een redelijke consensus over de taak van de school wat betreft de kennisoverdracht en het aanleren van gedeelde basisvaardigheden, maar niet over de normatieve waarden- en houdingsvorming. Dodde en - in mindere mate Leune en Hofstee - wijzen, als gememoreerd in par. 9.3.4 de normatieve waardenoverdracht en algemene houdingsvorming af. Immers, de school is een kennisinstituut, waar de toerusting met kennis, vaardigheden en gedeelde basiswaarden van de democratische rechtsstaat centraal staat.