Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.1.6
5.1.1.6 Forumkeuze
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85933:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 1.
In art. 26 EEX-Vo II is de – hier verder buiten beschouwing latende – stilzwijgende forumkeuze, i.e. de stilzwijgende aanvaarding van internationale bevoegdheid, opgenomen, waarin is bepaald dat buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van de EEX-Verordening II, het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt, bevoegd is, met dien verstande dat (i) die verschijning niet tot doel heeft de bevoegdheid (van dat gerecht) te betwisten en (ii) geen ander gerecht bestaat dat op grond van art. 24 EEX-Vo II privatief bevoegd is (vide lid 1).
Vide Vlas 2017, op. cit., p. 138 (nr. 188); Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 58 en 91.
Vide (in die zin) ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 91. Cf. Vlas 2017, p. 138 (nr. 190). Hierbij zij erop gewezen dat indien (a) in een exclusief forumkeuzebeding een gerecht, of de gerechten, van een lidstaat van de EU is aangewezen en (b) een van de partijen haar verblijfplaats in Mexico, Singapore of Montenegro heeft, het Forumkeuzeverdrag van toepassing is en niet de EEX-Verordening II; vide art. 4, tweede lid, art. 5, eerste lid, en art. 26, zesde lid, onderdeel a, van het Forumkeuzeverdrag en voetnoot 234 infra.
F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 1.
Vide daarover Kuypers, op. cit., p. 91 en 102.
Deze moeten strikt worden uitgelegd; vide HvJ EU 21 mei 2015, NJ 2016/75, m.nt. L. Strikwerda, punt 25 (CarsOnTheWeb).
Vide (ook) U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note17; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 1; J.H.M. Spanjaard, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 23 EEX-Verordening, aant. C.1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 1a, 2, 3b, 7, 10-13 en 18c; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 90 et seq. Anders dan op grond van art. 23, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo, waarin de eis werd gesteld dat ten minste een der partijen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat moest hebben, is onder art. 25 EEX-Vo II de woonplaats der partijen niet ter zake doende. Vide ook F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 3a.
Vide ook U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note14: ‘As far as the scope of Art. 25 extends, it therefore regulates finally and conclusively [curs. RPJ] questions of international jurisdiction agreements.’ (voetnoot verwijderd) Vide mede U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes65 en73.
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 90.
Vide HvJ EG 16 maart 1999, C-159/97, NJ 2001/116, m.nt. P. Vlas, punt 46, 50 en 52 (Trumpy).
Vide Ibili 2007, op. cit., p. 192; U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note46 met verwijzing aldaar; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 5; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 14a.
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 96 (i.f.).
Vide, zij het iets nauwer geformuleerd, P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 8a. Vide voor de werking van een niet-exclusief forumkeuzebeding laatstgenoemde (aant. 8b).
Vide HvJ EG 9 november 2000, C-387/98, punt 17, 19 en 21 (Handelsveem). Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 92.
In zulk een geval wordt de relatief bevoegde rechter vastgesteld volgens het interne procesrecht van de desbetreffende lidstaat; vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 3b. Vide voorts U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note30 (i.f.); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 3. Vide nader Kuypers, op. cit., p. 156 et seq. Vide ook HvJ EU 7 juli 2016, C-222/15, RvdW 2016/1091, punt 48 (Heszig), waarin is uitgemaakt dat ‘een forumkeuzebeding dat de “gerechten” van een stad van een lidstaat aanwijst, voor de precieze bepaling van de rechter bij wie de vordering moet worden gebracht impliciet maar noodzakelijk verwijst naar de bevoegdheidsregeling die in die lidstaat van kracht is. In die zaak waren de ‘gerechten van Parijs’ aangewezen. Volgens het Hof van Justitie wijst dit forumkeuzebeding ‘weliswaar niet uitdrukkelijk de lidstaat aan waarvan de gerechten volgens de overeenkomst van partijen bevoegd zijn, maar de bedoelde gerechten zijn die van de hoofdstad van een lidstaat waarvan partijen in casu ook het recht hebben aangewezen als het op de overeenkomst toepasselijke recht, zodat vaststaat dat dit beding, dat is opgenomen in een overeenkomst zoals die in het hoofdgeding, ertoe strekt exclusieve bevoegdheid toe te kennen aan de gerechten die deel uitmaken van de rechterlijke orde van die lidstaat’ (punt 46). Een dergelijk beding voldoet dus aan de vereisten van nauwkeurigheid (punt 47). Ten aanzien van die vereisten oordeelde het Hof van Justitie ‘dat de bewoordingen van deze bepaling niet aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij vereisen dat een dergelijk beding zodanig is geformuleerd, dat louter op grond van de bewoordingen ervan kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is. Het is namelijk voldoende dat het beding de objectieve elementen bevat waarover partijen overeenstemming hebben bereikt voor de keuze van het gerecht of de gerechten waaraan zij hun ontstane of toekomstige geschillen willen voorleggen. Die elementen, die voldoende nauwkeurig moeten zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is, kunnen eventueel worden geconcretiseerd door de omstandigheden van het geval’ (punt 43).
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 3; J.H.M. Spanjaard, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 23 EEX-Verordening, aant. C.1.1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 3b.
Vide Kuypers, op. cit., p. 154 en het aldaar aangehaalde. Ook Vlas 2017, op. cit., p. 138 (nr. 188) is van mening dat de absolute competentie niet door de EEX-Verordening (II) wordt geregeld, zodat de internrechtelijke bepalingen van de lidstaten blijven gelden.
Dit betreft de situatie waarin de bedoeling van partijen als vertaald in de forumkeuze ruim wordt opgevat.
Vide ook Kuypers, op. cit., p. 155: ‘De bedoeling van partijen dient niet eng te worden opgevat. Ook indien partijen in een forumkeuze de absoluut onbevoegde rechter hebben aangewezen en afwijking op grond van het interne recht niet is toegestaan, is de forumkeuze in beginsel geldig. Het is de bedoeling van partijen geweest de internationale bevoegdheid te regelen. In dit geval dient derhalve de absoluut bevoegde rechter te worden gevonden binnen wiens ressort de aangeduide plaats ligt. Eventueel kan worden geredeneerd dat de (op grond van het nationale recht) ongeldige aanwijzing wordt geconverteerd in een geldige prorogatie van de absoluut bevoegde rechter gelet op de bedoeling van partijen. Zover behoeft het mijns inziens echter niet te komen, indien de aanwijzing van een onbevoegde rechter door een ruime uitleg wordt beschouwd als de aanwijzing van een rechter in dat ressort die wel absoluut bevoegd is.’ (voetnoot verwijderd en curs. RPJ)
Dit betreft de situatie waarin de bedoeling van partijen als vertaald in de forumkeuze eng wordt opgevat.
Vide A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 73 Rv, aant. 2.
Rapport-Jenard, p. 111.
Rapport-Schlosser, p. 123.
P. Vlas, ‘Forumkeuzeclausules in statuten en grensoverschrijdende zetelverplaatsing vanuit Nederlands perspectief’, WPNR 1993/6115, p. 889. Vide ook P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 5.
Voor (het ingang willen doen vinden van) de stelling dat twee woonachtig zijnde partijen in lidstaat A een zaak internationaal kunnen maken door het (enkel) aanwijzen van een gerecht in lidstaat B, kan steun worden gevonden bij U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note 40. Vide ook U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note 23 et seq. Volgens Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 96 dient het internationaliteitsvereiste niet ‘geografisch’ uitgelegd te worden, maar moet zo begrepen worden dat iedere forumkeuze die inbreuk maakt op de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening II, te beschouwen is als een internationale, door art. 25 EEX-Vo II bestreken, forumkeuze.
HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas (Petereit).
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 17-18 en 21 (Petereit). Vide ook HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 34 (Profit Investment SIM). Vide tevens de noot (voetnoot 29) van laatstgenoemde annotator bij dat arrest.
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 28-29 (Petereit). Vide ook HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/ 159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 34 (Profit Investment SIM).
Volgens Vlas 2017, op. cit., p. 161 (nr. 226) komen forumkeuzeclausules in de statuten van Nederlandse vennootschappen niet of nauwelijks voor. U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note 135 merkte op dat ‘[t]he statutes of a company (the articles of association or the memorandum of association) do not infrequently [curs. RPJ] contain a jurisdiction clause which generally intends to cover disputes between the company and its members and normally concentrates the jurisdiction at the seat of the company’. Mij is bekend dat in Duitsland Volkswagen AG in zijn statuten zulk een clausule heeft opgenomen, en wel in § 29 (Place of jurisdiction). Deze luidt, voor zover hier van belang, aldus: ‘The sole place of jurisdiction for all disputes between shareholders (...) on the one hand, and the Company on the other, shall be the Company’s domicile unless mandatory statutory provisions require otherwise.’
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 17-19 en 28-29 (Petereit); HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 34 (Profit Investment SIM). Vide ook HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 24-25 (Petereit).
Vide HvJ EG 24 juni 1981, C-150/80, punt 26 (Jacqmain).
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 2 en 4 (Petereit).
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 32 en 34 (Petereit). Vide ook Kuypers, op. cit., p. 645.
Vide voor een overzicht van soorten vennootschapsrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor forumkeuze Kuypers, op cit., p. 841 met verwijzingen aldaar. Volgens hem kan de vennootschap of rechtspersoon de forumkeuze rechtsgeldig opnemen in de statuten dan wel in een aandeelhouders- of stemovereenkomst voor de volgende vennootschapsrechtelijke geschillen: (i) vorderingen tot nakoming van aandeelhouders- of stemovereenkomsten, (ii) (terugbetaling van) winst- of dividenduitkering, (iii) geschillen tussen vennoten/aandeelhouders en de vennootschap/rechtspersoon, (iv) vorderingen van de vennoten/aandeelhouders tegen (organen van) de vennootschap/rechtspersoon wegens (bestuurs)aansprakelijkheid, (v) geschillen tussen de vennoten/aandeelhouders onderling (bijvoorbeeld over een blokkeringsregeling of voorkeursrechten), (vi) vorderingen tot storting op aandelen, (vii) geschillen tussen de ondernemingsraad en bestuur voor zover de ondernemingsraad geen besluiten aanvecht van het bestuur en (viii) uitkoop van minderheidsaandeelhouders.
Vide HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P. Vlas, punt 33 en 37 (Petereit); HvJ EG 3 juli 1997, C-269/95, punt 31 (Dentalkit). Het gaat alsdan om de uitleg van een overeenkomst. Naar het mij toeschijnt dient dat te geschieden op basis van de lex fori prorogati (incl. conflictenrecht; vide de considerans, onder 20, van de EEX-Verordening II). Dat sluit aan bij het bepaalde in art. 25, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II en bij de gemaakte keuze voor een bepaalde rechter. Is er een gerecht in een andere lidstaat dan Nederland aangewezen, dan kan de rechter te onzent dus niet gaan Haviltexen (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 2 (Haviltex)).
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 8 (i.f.) en voetnoot 2. Vide ook Kuypers, op. cit., p. 645 (voetnoot 37).
Een forumkeuzeovereenkomst moet zowel formeel als materieel geldig zijn. Art. 25 EEX-Vo II regelt de formele geldigheid (nationaal recht is te dier zake uitgesloten). Ten aanzien van de materiële geldigheid geldt dat sommige kwesties eveneens door dat artikel worden beheerst, zoals wilsovereenstemming, maar andere door het (conflicten)recht van de lidstaat op wiens grondgebied de aangewezen rechter zetelt. Vide U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes 3 en 76 et seq.; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 93-96.
Cf. HvJ EG 10 maart 1992, C-214/89, NJ 1996/279, TVVS 1993/172, m.nt. P.Vlas, punt 24-25 (Petereit) over wilsovereenstemming tussen partijen, de vormvereisten van art. 17 EEX-Verdrag en de positie van aandeelhouders ten aanzien van de statuten van een vennootschap.
F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 15. Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 93-94.
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 95.
U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note 81g. Vide ook U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes 73, 81 en 81c. Vide voorts voetnoot 230 supra. Daarbij sluit aan Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 95, die opmerkten dat het onaannemelijk is dat álle materieelrechtelijke aspecten onder ‘materiële geldigheid’ als bedoeld in art. 25, eerste lid, EEX-Vo II vallen; daarmee zou de rechtspraak van het Hof van Justitie over de autonome vaststelling van de wilsovereenstemming terzijde worden geschoven, waartoe geen aanwijzingen zijn dat de Europese wetgever dat gewild heeft. Cf. art. 5, eerste lid, van het op 1 oktober 2015 voor (de lidstaten van) de EU, en al dan niet op een later tijdstip voor Mexico, Singapore en Montenegro, in werking getreden (vide Trb. 2015, 101) Verdrag inzake bedingen van forumkeuze van 30 juni 2005 (kortweg: Forumkeuzeverdrag), Trb. 2009, 31. Daarin staat dat het ‘gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat die in een exclusief forumkeuzebeding zijn aangewezen, zijn bevoegd kennis te nemen van een geschil waarop het beding van toepassing is, tenzij het beding volgens het recht van die Staat nietig is [curs. RPJ]’. In T. Hartley en M. Dogauchi, Explanatory Report on the 2005 Hague Choice of Court Agreements Convention, Den Haag: Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht 2013, p. 39 (nr. 126) lezen wij te dier zake dat ‘[d]e “nietigheidsbepaling” is alleen van toepassing op materiële (niet op formele) gronden [curs. RPJ] voor nietigverklaring. Ze is bedoeld om hoofdzakelijk te verwijzen naar algemeen erkende gronden zoals bedrog, fouten, onjuiste voorstelling, dwang en onbevoegdheid [curs. RPJ]’.
Hof Amsterdam (OK) 5 januari 2016, JIN 2016/106, m.nt. J. van der Kraan, r.o. 3.4 (PiF).
Gedoeld wordt kennelijk op hof Amsterdam (OK) 18 oktober 2012, JOR 2013/8, m.nt. H.M. de Mol van Otterloo, AA 2013/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.1-3.2 (Harbour Antibodies); hof Amsterdam (OK) 24 oktober 2013, JOR 2014/159, m.nt. W.H. van Baren, r.o. 3.1-3.2 (Staat); hof Amsterdam (OK) 4 september 2014, JIN 2014/192, m.nt. E. Baghery, r.o. 3.1-3.2 (Café Kobalt).
Hof Amsterdam (OK) 22 december 2017, ARO 2018/54, r.o. 3.5 (Global Publishing).
M.W. Knigge, De procesovereenkomst. Over de vrijheid van partijen het civiele proces vorm te geven (diss. Leiden), Serie Burgerlijk Proces en Praktijk, deel XIII, Deventer: Kluwer 2012, p. 118. Daarvoor schreef zij, te zelfder plaatse, dat onder art. 6 EVRM in ieder geval tot op zekere hoogte toelaatbaar zijn overeenkomsten waarbij de toegang tot de rechter wordt beperkt.
Vide Kuypers, op. cit., p. 11, 16 (voetnoten 4 en 5) en 241; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 8 Rv, aant. 2 en 3; M. Zilinsky, in: T&C Burgerijke Rechtsvordering, art. 8 Rv, aant. 3a en 4a.
Vide Kuypers, op. cit., p. 241 en 244.
Kuypers, op. cit., p. 861 en voetnoot 564 aldaar. De geciteerde woorden staan niet in M. Zilinsky, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 8 Rv, aant. 3c.
Een voorbeeld van een ‘procesovereenkomst’ betreft de forumkeuze; vide Knigge, op. cit., p. 2. Vide ook Kuypers, op. cit., p. 989, die opmerkte dat de kern van zijn definitie van ‘forumkeuze’ is dat forumkeuze een ‘processuele overeenkomst’ is.
Knigge, op. cit., p. 33. Vide ook Knigge, op. cit., p. 34 en 48.
Knigge, op. cit., p. 33. Het betreft een weergave van beschouwingen van Wagner over dit onderwerp.
Vide ook de conclusie, onder 5.2.9.3, van plv. P-G Mok bij HR 27 september 2000, JOR 2000/217, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2000/55, m.nt. S.M. Bartman (Gucci); Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1589. Vide tevens M. Meinema, Dwingend recht voor de besloten vennootschap. Een beschouwing over de contractsvrijheid van aandeelhouders in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 43, Deventer: Kluwer 2003, p. 243 (alsmede p. 73-74), naar wier mening aandeelhouders in besloten vennootschappen in sterkere mate dan in open vennootschappen zelf in staat moeten worden geacht te bepalen welke machtsverhoudingen zij in de vennootschap wensen. Derhalve, zo vervolgde zij, ‘kan het “Kernbereich” [curs. aut.] aan dwingende, niet voor “afstand” vatbare rechten voor deze aandeelhouders worden beperkt tot het recht op het vorderen van vernietiging van besluiten, het verzoeken van een enquête [curs. RPJ] of ontbinding van de vennootschap, het uittredings- en uitstotingsrecht’.
Cf. Kuypers, op. cit., p. 233-234.
Kuypers, op. cit., p. 25.
Kuyper, op. cit., p. 409. Hoewel de beschouwingen van Kuypers ten aanzien van de toelaatbaarheid, daartoe beperk ik mij hier, betrekking hebben op de voorloper van art. 25 EEX-Vo II, te weten art. 23 EEX-Vo, waarin niet, zoals thans, was opgenomen ‘tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft’, meen ik dat zijn oordeel ter zake onveranderd was gebleven, en derhalve hier bruikbaar is, aangezien in zijn optiek de toelaatbaarheidsvraag streng gescheiden moeten worden van de vraag of overeenstemming bestaat en de overeenkomst verder rechtsgeldig is in enge zin. Met ‘rechtsgeldigheid’ bedoelt Kuypers ‘de geldigheid van totstandkoming: aanbod en aanvaarding, wilsgebreken, gewekt vertrouwen, etc. De rechtsgeldigheid wordt ook wel aangeduid als de “materieelrechtelijke geldigheid”’. Vide Kuypers, op. cit., p. 396.
Kuypers, op. cit., p. 393. Op p. 394 schreef hij dat zijns inziens bij de toelaatbaarheid (ook) beoordeeld dient te worden of van misbruik van de forumkeuze sprake is. Vide ook het geciteerde in voetnoot 255 infra.
Kuypers, op. cit., p. 402.
Vide ook voetnoot 254 infra.
Waarbij men ook het geciteerde in voetnoot 201 supra leze.
Vide HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, punt 33 (Universal Music); U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes2 en 6; considerans, onder 15, van de EEX-Verordening II.
Steun of aanwijzingen hiervoor vinde men ook in U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes14 en 73-74, alwaar hij, voor zover hier van belang, successievelijk opmerkte dat ‘[a]s far as Art. 25 is applicable it takes precedence over any national law which an EU Member State has enacted on the same subject even if this national law is mandatory [curs. RPJ]’, ‘[i]t is disupted (…) whether Art. 25 (…) allows for, or even implicity contains, a general rule that a jurisdiction agreement must be reasonable or at least that its application must not offend public policy [curs. RPJ]. The probably prevailing view is that in this respect Art. 25 (…) regulates finally and conclusively the validity of jurisdiction agreements. While general questions of the material validity of jurisdiction agreements (…) are governed by the applicable national law[,] it is argued that he admissibility [curs. RPJ] of jurisdiction clauses as such is a matter of Art. 25 and that this provision does not prescribe any further requirements nor allows for any further control than provided in its text [curs. RPJ]’ en ‘[t]he mere circumvention of national mandatory rules [curs. RPJ], for instance on liability, does however not suffice to invalidate a jurisdiction agreement’. (voetnoten verwijderd) Cf. art. 9 Rome I en art. 16 Rome II over bepalingen van ‘bijzonder dwinend recht’.
Vide ook U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note 76.
Vide ook U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, notes81a en 81g.
J. Basedow, ‘Exclusive Choice-of-Court Agreements as a Derogation from Imperative Norms’, Max Planck Private Law Research Paper No. 14/1, 2013, p. 20.
Zo is in ons nationale conflictenrecht in art. 10:154 BW bepaald dat op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van Rome I en de ter zake geldende verdragen vallen en die als verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van die verordening van overeenkomstige toepassing zijn. Zulks betekent dat voor de beoordeling van de materiële geldigheid van de forumkeuze het toepasselijke recht toch zal moeten worden aangewezen door Rome I. Vide ook F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 EEX-Vo II, aant. 15; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 95. Cf.art. 10:159 BW.
Vide ook Basedow, op. cit., p. 19: ‘It is only where the foreign law refers the issue back to the law of the former court that this court – whose jurisdiction has been “deselected” – will be able to determine the substantive validity of the choice-of-forum clause on the basis of its own law.’
Kuypers, op. cit., p. 242 en voetnoot 2 aldaar.
Vide ook Kuypers, op. cit., p. 241; U. Magnus, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 25, note28.
Partijen kunnen ingevolge art. 25, eerste lid, tweede volzin, EEX-Vo II anders overeenkomen, in de zin dat de aangewezen rechter een niet-exclusief gerecht is (dit levert dan een extra bevoegd gerecht op); vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 23 Brussel I, aant. 6; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Brussel I-bis, aant. 8b.
Vide HvJ EG 24 juni 1981, C-150/80, punt 28 (Jacqmain).
HvJ EG 3 juli 1997, C-269/95, punt 26 (Dentalkit).
Volgens Van Solinge en Bulten, op. cit, p. 133 beïnvloedt noch een forumkeuzeovereenkomst, noch een forumkeuze in de statuten de rechtsmacht van de Ondernemingskamer. Daartoe voerden zij aan dat ook al is de inzet het oplossen van het geschil, ‘een enquêteonderzoek [sic] reikt verder. Bovendien zijn de partijen bij de forumkeuzeclausule niet noodzakelijkerwijs dezelfde als de partijen die betrokken zijn in een enquêteprocedure. Ook de voorzieningen van de OK kunnen verder reiken dan het redresseren van het aandeelhoudersgeschil’. Vide ook G. van Solinge, ‘Buitenlandse partijen in de enquêteprocedure’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2005-2006, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 87, Deventer: Kluwer 2006, p. 224.
Ik denk dan in het bijzonder aan de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen (de onderneming van) de betrokken rechtspersoon; vide HR 10 januari 1990, NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer, AA 1990, p. 865-870, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.1 (Ogem). Nadien zijn de enquêtedoeleinden meermaals herhaald; vide HR 15 januari 1997, NJ 1997/368, m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 4.5.1 (Vie d’Or); HR 4 juni 1997,NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis, r.o. 4.1.1 (Text Lite); HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. J.M.M. Maeijer,JOR 2005/295, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/10, m.nt. P.G.F.A. Geerts r.o. 4.2 (Unilever); HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen, Ondernemingsrecht 2009/ 118, m.nt. P.M. Storm, r.o. 3.2.2 en 3.2.3 (KPNQwest). Vide over deze doeleinden uitvoerig de conclusie, onder 4.2-4.23, van A-G Timmerman bij de laatstgenoemde beschikking.
Vide ook e.g. HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/10, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.2 (Unilever), waarin de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwoog dat tot de doeleinden van het enquêterecht niet behoort ‘de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, (…). Wanneer het gaat om een geschil van louter [curs. RPJ] vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen’. Vide hierover de noot, onder 2, van Maeijer, alwaar hij, gezien het woord ‘louter’, opmerkte dat ‘een zgn. gemengd geschil [curs. RPJ] waarbij de doeleinden van het enquêterecht wel verwezenlijkt zouden kunnen worden omdat het vermogensrechtelijk conflict ook de positie en het functioneren van de vennootschap (en onderneming) raakt, kan, zo blijkt ook uit r.o. 4.3, wèl [sic] vallen onder de doeleinden van het enquêterecht’. Vide bovendien hof Amsterdam (OK) 21 november 1991,NJ 1992/254 (ITP Holland); hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4, r.o. 3.4 (Woudwood); hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112, r.o. 3.6 (Boon).
Cf. HR 25 april 1997, NJ 1998/665, m.nt. P. Vlas, r.o. 3.3 (Volume Shipping). Vide voor een andere opvatting de in voetnoot 267 supra genoemde auteurs.
Vlas 2017, op. cit., p. 32 (nr. 28).
Procedurele kwesties worden beheerst door het (proces)recht van het (aangezochte) forum, ongeacht, zo voeg ik toe, het toepasselijke materiële recht. Kort en goed: de geadieerde rechter past zijn eigen, nationale procesrecht toe. Vide ook Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 11 (MvT), alwaar de minister van Justitie opmerkte dat ervan mag worden uitgegaan ‘dat – ook – de buitenlandse rechter zijn nationale procesrecht toepast’. Vide mede A.P.M.J. Vonken (m.m.v. H.L.E. Verhagen, X.E. Kramer & S. van Dongen), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 10. Internationaal privaatrecht. Deel I. Algemeen deel IPR, Deventer: Wolters Kluwer 2018/3, alwaar wij lezen dat ‘ieder nationaal gerecht past, als uitgangspunt, zijn eigen procesrecht (lex fori processualis) (…) toe’. Cf.art. 10:3 BW, waarin wij lezen dat op ‘de wijze van procederen’ ten overstaan van de Nederlandse rechter Nederlands recht van toepassing is, behoudens voor zover, zo voeg ik in het licht van art. 10:1 BW toe, aspecten van procesrechtelijke aard in verdragen of verordeningen zijn geregeld, nu die prevaleren. Vide hierover N.E. Tijssens, ‘Art. 10:3 BW: een kwestie van kwalificeren’, WPNR 2012/6914, p. 35-41.
Cf. Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 9 (MvT), alwaar werd opgemerkt dat ‘het buitenlandse recht wordt toegepast op dezelfde wijze als dit in het betrokken land geschiedt, dat wil zeggen met inbegrip van bijvoorbeeld rechtspraak en literatuur en van aldaar geldende opvattingen omtrent vraagstukken als de wijze van wetsinterpretatie’, en R.J. Blauwhoff en J.M.J. Keltjens, ‘Rechtsvinding van buitenlands recht: wat wordt er van de rechter verwacht?’, TREMA 2014/1, p. 21.
Cf. Storm 2018, op. cit., p. 62: ‘Zij [een Nederlandse vennootschap, toev. RPJ] zou echter ook volgens het procesrecht van dat buitenland voor de gerechten van dat land kunnen worden opgeroepen (…). Zo’n gerecht zal echter niet de bevoegdheden van de OK kunnen uitoefenen. Die zijn in art. 345(1) jo 344uitsluitend [curs. RPJ] aan de OK toegekend.’
(Naar het lijkt) anders Storm als aangehaald in voetnoot 275 supra.
Cf. S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 8.
Teneinde de onzekerheid die kan bestaan over de vraag voor de rechter van welk land geprocedeerd zal worden, weg te nemen kunnen partijen een forumkeuzeovereenkomst sluiten,1 een en ander uit hoofde van art. 25 EEX-Vo II. Ook de (uitdrukkelijke)2 forumkeuze vormt een uitzondering op de hoofdregel als bedoeld in art. 4, eerste lid, EEX-Vo II,3 nu het voor de toepassing van art. 25 EEX-Vo II niet ter zake doende is waar partijen hun woonplaats (binnen of buiten de EU) hebben (vide lid 1).4
Ingevolge art. 25, eerste lid, EEX-Vo II is de forumkeuze exclusief, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Wil die onder het toepassingsbereik van art. 25 EEX- VoII vallen, dan moet aan de volgende – ambtshalve door het aangezochte gerecht te toetsen –5voorwaarden zijn voldaan: (1) de forumkeuze moet een burgerlijke zaak of een handelszaak als bedoeld in art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II betreffen, (2) de forumkeuze betreft een gerecht of de gerechten van een lidstaat (vide lid 1), (3) er moet voldaan zijn aan het internationaliteitsvereiste,6 (4) de forumkeuze moet voldoen aan de in art. 25, eerste lid, onderdeel a-c, en tweede lid, EEX-Vo II genoemde vormvereisten,7 (5) de forumkeuze moet betrekking hebben op geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan (vide lid 1),8 (6) de forumkeuze moet materieel geldig zijn en (7) de forumkeuze mag niet in strijd zijn met art. 15, 19 of 23 EEX-Vo II en geen inbreuk maken op art. 24 EEX-Vo II (vide lid 4).9 Meer voorwaarden worden door art. 25 EEX-Vo II niet gesteld. Het regelt – autonoom en uitputtend –10in welke gevallen en onder welke voorwaarden een forumkeuze mogelijk is, welke geldigheidsvereisten met betrekking tot de forumkeuzeovereenkomst er zijn en wat de gevolgen van een geldige forumkeuze zijn; nadere of andere – aan de nationale wetgeving der lidstaten ontleende – vereisten mogen aan een door deze verordening bestreken forumkeuze niet worden gesteld.11 Zo behoeft er geen band tussen het gekozen forum en het geschil (de litigieuze rechtsbetrekking) te bestaan,12 zodat voor de forum non conveniens-exceptie onder het evengenoemde artikel geen plaats is,13 noch dat partijen enig belang moeten hebben bij de keuze van het forum.14 Indien een forumkeuzeovereenkomst aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, dan leidt zulks er in beginsel toe dat het (de) aangewezen gerecht(en) – met uitsluiting van (ook) de gerechten van alle andere lidstaten – bevoegd is (zijn) om van het geschil kennis te nemen.15
Het vorengaande doet de vraag rijzen of buitenlandse partijen, waaronder een moedermaatschappij in den vreemde met dochtermaatschappijen hier te lande, in geval van (typische) enquêterechtelijke geschillen, i.e. geschillen die hier te lande in het kader van een art. 2:345, eerste lid, BW-procedure op de voet van art. 2:346, eerste lid, onderdelen b en c, BW aan de Ondernemingskamer ter beslechting (zouden) kunnen worden voorgelegd, de Ondernemingskamer zouden kunnen aanwijzen als exclusief bevoegd gerecht in de zin van art. 25 EEX-Vo II. Teneinde deze vraag te beantwoorden zullen de hogergenoemde voorwaarden successieve- lijk nader worden bekeken.
Voorwaarde één: de forumkeuze moet een burgerlijke zaak of een handelszaak als bedoeld in art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II betreffen. Zoals ik reeds heb geconcludeerd (vide § 5.1.1.2, in fine), is een zaak die wordt ingeleid met, bij- voorbeeld, een verzoek als bedoeld in art. 2:345, eerste lid, BW, een burgerlijke zaak of een handelszaak in de zin van art. 1, eerste lid, EEX-Vo II, zodat aan deze voorwaarde is voldaan.
Voorwaarde twee: de forumkeuze betreft een gerecht of de gerechten van een lidstaat. Artikel 25 EEX-Vo II mist toepassing als partijen in hun forumkeuzeovereenkomst een gerecht of de gerechten van een niet-lidstaat hebben aangewezen; zij moeten zijn overeengekomen hun geschillen voor een gerecht of de gerechten van een lidstaat te brengen.16 Verder kunnen partijen ingevolge art. 25, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II een algemene aanwijzing (‘de gerechten’), zoals de rechter van een lidstaat, in hun forumovereenkomst betreffende de exclusieve bevoegdheid tot kennisneming van bepaalde geschillen, opnemen,17 maar ook een bijzondere aanwijzing (‘een gerecht’), zoals een bepaald gerecht van een lidstaat.18 De vraag die opkomt, is of de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam als exclusief bevoegd gerecht kan worden aangewezen.
Het antwoord daarop moet ontkennend luiden, waartoe het volgende redengevend is. Een forumkeuze mag geen (nationale) regeling van absolute of materiële competentie doorbreken; daarmee laat de EEX-Verordening (II) zich niet in, zodat de vraag welke rechter in absolute of materiële zin bevoegd is, uitsluitend wordt bepaald door het interne recht van het land van de aangewezen rechter.19 Naar luid van art. 42 RO nemen de rechtbanken in prima kennis van ‘alle’ burgerlijke zaken – waartoe ook buitenlandse zaken behoren, nu de rechtbank krachtens art. 10:2 BW ambtshalve het, op basis van het conflictenrecht aangewezen, buitenlandse recht moet toepassen – behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. Een daarvan betreft art. 66 RO, waarin is bepaald dat voor het behandelen en beslissen van zaken als – kennelijk: limitatief – genoemd in het eerste lid daarvan, zoals zaken als bedoeld in Boek 2 BW, waaronder enquêtezaken, de Ondernemingskamer (absoluut) bevoegd is.
Hieruit volgt – a contrario geredeneerd – dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van andere zaken, die al dan niet worden beheerst door buitenlands recht. Willen partijen hier te lande een geschil naar vreemd recht laten behandelen en berechten, dan dienen zij (dan ook) een rechtbank te adiëren en hun zaak aldaar aan te brengen. Indien de Ondernemingskamer toch onder art. 25 EEX-Vo II als gerecht is aangewezen, dan dient zij zich – ambtshalve – onbevoegd te verklaren (art. 72 Rv). Vervolgens zijn er, afhankelijk van de precieze bedoeling van partijen en daarmee van de uitleg van de forumkeuze, twee keuzes: (a) er is een andere, gewone rechter (lees: rechtbank) wél bevoegd van de zaak kennis te nemen,20 zodat de Ondernemingskamer de zaak daarnaar verwijst (art. 73 Rv),21 of (b) er is géén andere, gewone rechter bevoegd van de zaak kennis te nemen,22 zodat zij zal volstaan met het uitspreken van haar onbevoegdheid.23 In geval van dat laatste wordt de forumkeuze als krachteloos beschouwd.
Ergo: de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam kan níét als exclusief bevoegd gerecht in de zin van art. 25, eerste lid, EEX-Vo II worden aangewezen (wel een rechtbank), maar mocht dat toch zo in het forumkeuzebeding staan, dan hoeft dat beding niet noodzakelijkerwijs te sneven, mits in het licht van de bedoeling van partijen de zaak kan worden doorverwezen naar een bevoegd gerecht (in Nederland).
Voorwaarde drie: er moet voldaan zijn aan het internationaliteitsvereiste. Daarbij stel ik het volgende voorop. Naar blijkt uit het rapport-Jenard is art. 17 EEX-Verdrag (thans: art. 25 EEX-Vo II) van toepassing indien in dezelfde verdragsluitende staat woonachtig zijnde partijen een gerecht van een andere verdragsluitende staat als bevoegd aanwijzen.24 In het rapport-Schlosser staat daarentegen dat voornoemd artikel alleen geldt als de zaak internationale kenmerken heeft en dat daarvoor ‘bepaald niet volstaat dat een gerecht van een bepaalde Staat bevoegd is verklaard’.25 Vlas gaat er – onder verwijzing naar deze twee rapporten – van uit dat een keuze van een buitenlandse rechter an sich een nationaal geval niet internationaal maakt.26 Aangezien onder vigeur van art. 25 EEX-Vo II partijen een (de) gerecht(en) van een lidstaat kunnen aanwijzen ‘ongeacht hun woonplaats’, is, naar ik meen, aan het internationaliteitsvereiste voldaan indien de Ondernemingskamer als bevoegd gerecht is aangewezen en de partijen die de forumkeuzeovereenkomst hebben gesloten, hun woonplaats op het grondgebied van een andere (lid)staat dan Nederland hebben,27 zoals (i) een partij in Frankrijk en een partij in Duitsland, (ii) beide partijen in België, (iii) een partij in Australië en een partij in Spanje, en (iv) een partij in Japan en een partij in Amerika.
Voorwaarde vier: de forumkeuze moet voldoen aan de in art. 25, eerste lid, onderdeel a-c, en tweede lid, EEX-Vo II genoemde vormvereisten. Hiertoe is de zaak Petereit van belang.28 Daarin overwoog het Hof van Justitie namelijk dat een overeenkomstig het nationale recht en de statuten zelf tot stand gekomen forumkeuzeclausule in de statuten van een vennootschap waarbij een bepaald gerecht van een lidstaat is aangewezen voor de kennisneming van geschillen tussen de vennootschap en haar aandeelhouders, een – voor alle aandeelhouders bindende – forumkeuzeovereenkomst in de zin van art. 17 EEX-Verdrag (thans: art. 25 EEX-Vo II) is, waarbij het niet ter zake dienend is dat de aandeelhouder aan wie die clausule wordt tegengeworpen, tégen het aannemen ervan heeft gestemd of pas ná het aannemen ervan aandeelhouder is geworden.29 Voorts overwoog het dat ten aanzien van iedere aandeelhouder aan de vormvereisten van art. 17 EEX-Verdrag (thans: art. 25, eerste lid, onderdeel a-c, en tweede lid, EEX-Vo II) moet worden geacht te zijn voldaan, ongeacht de wijze waarop de aandelen zijn verworven, met dien verstande dat de forumkeuzeclausule in de statuten van de vennootschap is opgenomen en deze op een voor hem toegankelijke plaats, zoals het hoofdkantoor van de vennootschap, zijn neergelegd of in een openbaar register zijn ingeschreven.30 Als in de statuten van een vennootschap een forumkeuzeclausule wordt opgenomen en die in bovenbedoelde zin zijn neergelegd, hetgeen generaliter, zo niet altijd, het geval zal zijn, dan is daarmee dus voldaan aan voorwaarde vier;31 iedere aandeelhouder wordt alsdan geacht die clausule te kennen en ermee in te stemmen, waardoor zij voor hen gaat gelden en zij daaraan gebonden zijn.32 Andere vormvoorschriften dan die als bedoeld in art. 25, eerste lid, onderdeel a-c, en tweede lid, EEX-Vo II mogen door de lidstaten niet uit hoofde van hun eigen nationale recht aan een forumkeuze als bedoeld in art. 25 EEX-Vo II worden gesteld.33
Voorwaarde vijf: de forumkeuze moet betrekking hebben op geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Dienaangaande is wederom de eerdergenoemde Petereit-zaak van belang. In die zaak lag, inter alia, de vraag voor of de in de statuten van IBH-Holding AG opge- nomen forumkeuzeclausule, luidende ‘[d]oor de inschrijving op of verwerving van aandelen of voorlopige certificaten onderwerpt de aandeelhouder zich voor alle geschillen met de vennootschap of haar organen aan de normaal ten aanzien van de vennootschap bevoegde gerechten’, voldeed aan het vereiste van voldoende bepaaldheid van de rechtsbetrekking waaruit geschillen kunnen ontstaan, een en ander in de zin van art. 17 EEX-Verdrag.34 Naar het oordeel van het Hof van Justitie is daar- aan voldaan indien die clausule aldus kan worden uitgelegd dat zij betrekking heeft op de geschillen tussen de vennootschap en haar aandeelhouders als zodanig.35 Het antwoord op de vraag of de forumkeuzeclausule daarop betrekking heeft zowel als het antwoord op de vraag op welke geschillen36 zij van toepassing is, is voorbehouden aan de nationale rechter.37 Het Bundesgerichtshof was, anders dan het Oberlandesgericht Koblenz, dat de hogergenoemde vraag aan het Hof van Justitie had gesteld, van oordeel dat de vorenbedoelde forumkeuzeclausule voldoende bepaald was.38 Tegen deze achtergrond zou een buitenlandse moedermaatschappij – om aan voorwaarde vijf te voldoen – in haar statuten een forumkeuzeclausule in voege als hierboven bedoeld kunnen (laten) opnemen. Het is vervolgens aan, in casu, de Ondernemingskamer om uit te maken of die clausule voldoende bepaald is en, zo ja, of het aan haar voorgelegde geschil daaronder valt.
Voorwaarde zes: de forumkeuze moet materieel geldig zijn.39 Ingevolge art. 25, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II is, kort gezegd, de door partijen aangewezen rechter bevoegd, tenzij de forumkeuzeovereenkomst nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Bij ‘materiële geldigheid’ kan men volgens Ibili denken aan kwesties zoals de wilsovereenstemming van partijen ten aanzien van de forumkeuze,40 de (ver)nietig(baar)heid van de forumkeuze of de uitleg van de forumkeuze.41 Strikwerda en Schaafsma denken (mede) aan nietigheid wegens strijd met de openbare orde en goede zeden alsook aan (andere contractenrechtelijke aspecten van de hier bedoelde overeenkomst zoals) de voorwaarden voor en de gevolgen van een beroep op wilsgebreken.42 Volgens Magnus gaat het, als ik hem goed begrijp, om situaties waarin ‘the free will of a party is impaired (error, mistake, fraud, threat, duress) or because good morals are violated’, en wel ten aanzien van de materiële geldig- heid voor zover die níét wordt beheerst door art. 25 EEX-Vo II zelf.43 Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat daarvan hier, in mijn voorbeeld, geen sprake is, zulks zal namelijk afhangen van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, dan zou de forumkeuze materieel geldig zijn, zodat ook aan voorwaarde zes is voldaan.
Voorwaarde zeven: de forumkeuze mag niet in strijd zijn met art. 15, 19 of 23 EEX-Vo II en geen inbreuk maken op art. 24 EEX-Vo II. De eerstgenoemde artikelen vallen binnen de respectieve afdelingen omtrent verzekeringszaken, door consumenten gesloten overeenkomsten en individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst. Enquêtezaken vallen daar echter niet onder. Het laatstgenoemde artikel ziet op de exclusieve bevoegdheid. Zoals ik reeds heb geconcludeerd (vide § 5.1.1.5), vallen die zaken daar evenmin onder, zodat ook aan voorwaarde zes is voldaan.
Het bovenstaande voert mij tot de slotsom dat, naar het mij voorkomt, met een (kleine) slag om de arm, een overeenkomstig het recht van een andere (lid)staat dan Nederland opgerichte moedermaatschappij in haar statuten een forumkeuzeclausule als bedoeld in art. 25 EEX-Vo II zou kunnen opnemen waarin een der Nederlandse rechtbanken – niet de Ondernemingskamer; dat kan immers niet (vide supra) – als exclusief bevoegd gerecht wordt aangewezen teneinde kennis te nemen van enquêterechtelijke – of breder: (alle) vennootschapsrechtelijke – geschillen tussen (de organen van) deze groepsmaatschappij en (een deel van) haar houders van (certificaten van) aandelen als zodanig (hiervan moet onderscheiden worden de vraag of zulks ook wenselijk is). Mocht een van die laatsten op de voet van die clausule een vordering of verzoek bij dat gerecht instellen of indienen, dan dient het zich bevoegd te verklaren; ruimte voor afwijzing van bevoegdheid te dier zake op grond van, bijvoorbeeld, het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht is er niet. Hierna komt voor het gerecht de vraag naar het toepasselijke recht aan bod. Gaat het om een enquêteverzoek, dan is het denkbaar dat vreemd enquêterecht (vide § 5.1.1.4) moet worden toegepast.
Tot besluit sta ik stil bij de omgekeerde situatie, houdende, bijvoorbeeld, dat in de statuten van een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap een forumkeuzeclausule is opgenomen waarin is bepaald dat door de inschrijving op of de verwerving van (certificaten van) aandelen de houder van (certificaten van) aandelen zich voor alle geschillen – die zich lenen voor beslechting door middel van het enquêterecht – met de vennootschap onderwerpt aan een bepaald gerecht in Frankrijk. Maar wat is rechtens als een houder van (certificaten van) aandelen desondanks een geschil dat binnen de reikwijdte van die clausule valt (zulks zal moeten worden beoordeeld aan de hand van (mede) het lichaam van het verzoekschrift, oftewel uit hetgeen ter schraging van de gegronde redenen-stelling is aangevoerd), aan de Ondernemingskamer voorlegt door middel van het bij haar indienen van een enquêteverzoek?
In de PiF-beschikking overwoog de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, dat voor zover de gerekestreerde zich beriep op het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen forumkeuzebeding (uit de beschikking blijkt niet of dat op basis van art. 8 Rv of art. 25 EEX-Vo II was), te gelden heeft dat zulk een beding op zichzelf geen afbreuk doet aan de enquêtebevoegdheid.44 Vergelijkenderwijs breng ik de Global Publishing-beschikking onder de aandacht, waarin zij overwoog dat volgens vaste rechtspraak45 een arbitragebeding niet tot haar onbevoegdheid leidt, omdat van de wettelijke enquêteregeling niet kan worden afgeweken en de enquêteprocedure tot het exclusieve domein van de overheidsrechter behoort.46 Gelet hierop, zal de Ondernemingskamer zich denkelijk – in spijt van een forumkeuzebeding in de zin van art. 25 EEX-Vo II waaronder een gerecht van een andere lidstaat exclusief is aangewezen voor de beslechting van geschillen die thans aan haar worden voorgelegd – bevoegd achten om kennis te nemen van een enquêteverzoek. Kan zij dat rechtens doen?
Er zij het volgende vooropgesteld. Krachtens art. 17 Gw kan niemand ‘tegen zijn wil’ worden afgehouden van de door de wet aan hem toegekende (overheids)rechter (in dit geval de Ondernemingskamer op basis van art. 42 RO iunctoart. 66, eerste lid, RO iuncto art. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW). Volgens Knigge wordt tegenwoordig over het algemeen aangenomen dat daaruit kan worden afgeleid dat zulks wel mét hun wil kan.47 Zo kunnen partijen blijkens art. 8, eerste en tweede lid, Rv door middel van een overeenkomst tot forumkeuze rechtsmacht van de aangewezen Nederlandse rechter vestigen (‘prorogatie’), dat is dan het forum prorogatum, respectievelijk rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitsluiten ten gunste van de/een rechter van een vreemde staat (‘derogatie’), in welk geval de rechter alhier het forum derogatum is.48 Prorogatie van de ene rechter leidt echter niet per definitie tot derogatie van de andere rechter, waarbij men denke aan een niet-exclusieve forumkeuze, in welk geval de niet-geprorogeerde Nederlandse rechter mede bevoegd blijft.49
Vereist wordt, zo lezen wij in art. 8 Rv, dat het gaat om een bepaalde rechtsbetrekking die ‘tot hun [i.e. partijen] vrije bepaling staat’. Volgens Kuypers zien die woorden – daarbij verwijzend naar M.V. Polak (thans: M. Zilinsky), in: T&C Bur- gerlijke Rechtsvordering, art. 8 Rv, aant. 3c – op ‘dwingend recht dat een forumkeuze verbiedt’.50 Naar Knigge haar mening lijkt – in navolging van Wagner – een dubbele toets aan de openbare orde goed te kunnen worden gehanteerd in geval van een wetsbepaling met daarin opgenomen de ‘niet-ter-vrije-bepaling’-beperking, welke toets inhoudt dat (a) partijen niet kunnen afwijken van het procesrecht indien sprake is van een materieelrechtelijke rechtsbetrekking die sterk wordt beheerst door recht van openbare orde en (b) de (proces)overeenkomst51 van partijen, voor zover die wél geldig is, niet mag leiden tot een resultaat dat in strijd is met de openbare orde.52 Ten aanzien van de eerste toets lazen wij eerder dat de openbare orde aan het sluiten van procesovereenkomsten in de weg staat in zaken die, voor zover hier van belang, worden beheerst door ‘dwingend materieel recht’.53 De enquêteregeling als neergelegd in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 BW is ius cogens (art. 2:25 BW).54
Tegen deze achtergrond lijkt naar Nederlands recht een overeenkomst waarin, bijvoorbeeld, is bepaald dat – uitsluitend – de Franse rechter (het forum prorogatum) bevoegd is tot kennisneming van, kort gezegd, enquêterechtelijke geschillen ten gevolge waarvan de Ondernemingskamer (het forum derogatum) zich dan onbevoegd zou moeten verklaren indien een aandeelhouder zich tot haar wendt met een enquêteverzoek, niet geoorloofd; de Ondernemingskamer behoudt in casu rechtsmacht. Ook een niet-exclusieve forumkeuze in de zin dat de Frans rechter – zonder dat derogatie plaatsvindt – als geprorogeerd gerecht wordt aangewezen is zonder zin.
Welnu, anders dan art. 8 Rv, komt in (de tekst van) art. 25 EEX-Vo II het ‘ter vrije bepaling’-vereiste niet voor.55 In zijn omschrijving van het begrip ‘forumkeuze’ heeft Kuypers niet opgenomen dat het moet gaan om zaken waarover partijen ‘de vrije beschikking hebben’, nu zijns inziens die voorwaarde (mede) niet wezenlijk is omdat ‘voor partijautonomie steeds geldt dat zij ophoudt waar dwingend recht begint. Het dwingend recht is een begrenzing van de forumkeuze’.56 Echter, verderop in zijn dissertatie schreef Kuypers dat de toelaatbaarheid, vorm en gevolgen – op dezelfde wijze als door art. 23 EEX-Vo (thans: art. 25 EEX-Vo II) – ‘exclusief onderworpen [zijn, toev. RPJ] aan de bepalingen van het Haags Forumkeuzeverdrag. De lex fori noch de lex causae hebben hierop invloed’.57 Met ‘toelaatbaarheid’ bedoelt hij het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre partijen de bevoegdheid van de rechter kunnen vestigen of daaraan kunnen derogeren.58 Volgens hem behelst voormeld artikel geen minimumharmonisatie, maar regelt het ‘uitputtend’ de toelaatbaarheid van een forumkeuze binnen zijn toepassingsbereik.59 Dit een en ander begrijp ik aldus dat net als ten aanzien van het Haags Forumkeuzeverdrag het antwoord op de bovenbedoelde vraag uitsluitend moet worden gezocht in art. 25 EEX-Vo II zelf, niet in de lex fori noch in de lex causae.60
Als de Ondernemingskamer van oordeel zou zijn dat zij ondanks een forumkeuze ex dat artikel bevoegd is omdat (i) een daartoe strekkende clausule geen afbreuk kan doen aan de enquêtebevoegdheid, (ii) van de enquêteregeling niet kan worden afgeweken en/of (iii) de enquêteprocedure tot het exclusieve domein van de overheidsrechter behoort, dan zegt zij daarmee in wezen dat derogatie niet mogelijk is; haar bevoegdheid (in enquêtezaken) kan niet door partijen worden onttrokken. Zulks betreft een vraag naar de toelaatbaarheid van de forumkeuze. Deze wordt beheerst door art. 25 EEX-Vo II. Dit artikel, we zijn weer terug bij het begin, bevat geen ‘ter vrije bepaling’-vereiste of een andere kapstok waarop de Ondernemingskamer haar oordeel als bovenbedoeld kan ophangen.61 Gelet daarop, alsmede in aanmerking nemende (a) het, ook aan het begin van deze paragraaf genoemde,62 uitputtende karakter van voornoemd artikel en (b) de vereisten van voorspelbaarheid en zekerheid,63 is er, naar ik meen, geen juridische basis voor om de forumkeuze op (een van) de gronden als hierboven onder (i)-(iii) genoemd, waarmee in wezen (mede) een beroep wordt gedaan op de dwingendrechtelijke aard van de enquêteregeling, dan wel op de grond dat de rechtsbetrekking niet tot de vrije bepaling van partijen staat, ontoelaatbaar te achten en zich bevoegd te verklaren.64
Voor zover het bovenbedoelde geen vraag naar de toelaatbaarheid van een forumkeuze(overeenkomst) – welke vraag wordt beheerst door art. 25 EEX-Vo II – betreft, maar een vraag naar de materiële geldigheid – welke vraag wordt beheerst door nationaal recht, voor zover die geldigheid niet wordt beheerst door het evengenoemde artikel zelf – ervan (tertium non datur, lijkt mij),65 geldt het volgende. Krachtens art. 25, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II is het forum prorogatum bevoegd, tenzij de (forum)overeenkomst ingevolge de lex fori prorogati, haar conflictenrecht incluis, dat moet in het licht van de considerans, onder 20, van de EEX-Verordening II kennelijk worden ingelezen in die bepaling,66 nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Volgens Basedow moet, als ik hem goed begrijp, de invloed van dwingend recht op een forumkeuzeclausule worden gezien als een kwestie die de materiële kant daarvan raakt.67 Hetzelfde geldt, zoals hierboven al is gezegd, voor de openbare orde; dat sleep ik er zekerheidshalve ook meteen maar bij. Kwesties betreffende (strijd met) dwingend recht en de openbare orde vallen dus onder de ‘materiële geldigheid’ als bedoeld in art. 25, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II en worden bijgevolg beheerst door de lex fori prorogati (incl. het conflictenrecht), niet de lex fori derogati/lex fori aditi. In art. 1, tweede lid, onderdeel e, Rome I is, voor zover hier van belang, bepaald dat deze verordening niet van toepassing is op overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter. Zulks leidt er in beginsel68 toe dat de materiële geldigheid van de forumkeuze zal moeten worden beoordeeld naar het – door het commune conflictenrecht van de geprorogeerde rechter aangewezen – recht.69 Is dat vreemd recht, dan is er geen ruimte voor de Ondernemingskamer om Nederlands recht toe te passen.70
Hieraan voeg ik, wellicht (deels) ten overvloede, nog het volgende toe. Een onder vigeur van art. 25 EEX-Vo II gemaakte forumkeuze wordt in beginsel vermoed exclusief te zijn,71 zodat derogatie zich tegelijk met prorogatie voordoet.72 Indien de forumkeuze, zo breng ik in herinnering, voldoet aan de door art. 25 EEX-Vo II gestelde voorwaarden (vide de vereisten onder (1)-(7) als genoemd aan het begin van deze paragraaf), dan is het door partijen aangewezen gerecht in beginsel73– exclusief (privatief) – bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Deze keuze dient door de rechterlijke instanties van álle lidstaten te worden geëerbiedigd.74 Ruimte voor de Ondernemingskamer om zich op grond van het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht (mede) bevoegd te verklaren is er niet, en wel reeds hierom niet dat de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening II van hogere orde zijn dan ons nationale bevoegdheidsrecht en zij mitsdien erboven prevaleren (lex superior derogat legi inferiori). Hierbij voegt zich dat deze verordening onder andere tot doel heeft de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten te uniformeren ‘door zoveel mogelijk te voorkomen dat met betrekking tot eenzelfde rechtsbetrekking meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn’.75
Aan dit een en ander kan niet afdoen dat de Ondernemingskamer zichzelf wellicht een geschikt(er) forum acht om van het geschil kennis te nemen (forum conveniens), noch dat de verzoeker op grond van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW iunctoart. 2:345, eerste lid, BW bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer (dit is het inhoudelijke recht, waaraan niet wordt toegekomen, nu de bevoegdheidsvraag als eerste moet worden beoordeeld en die voor de verzoeker in negatieve zin uitvalt), noch dat zulks niet bepaald praktisch is (vide infra), waarbij opmerking verdient dat noch in de toelichtende rapporten Jenard en Schlosser, noch in de EEX-Verordening II dan wel haar voor- lopers, noch in de jurisprudentie van het Hof van Justitie steun voor de gedachte valt te vinden dat de Europese wetgever de geschillen die vallen onder het Nederlandse enquêterecht, buiten de reikwijdte van art. 25 EEX-Vo II heeft willen houden. Dit zijn naar hun aard ook geen unieke geschillen.
Overigens merk ik in dit verband nog het volgende op. Het enquêtemiddel heeft een hybridekarakter. Hiermee bedoel ik dat er een hoofdverzoek is, i.e. het enquêteverzoek, en een eventueel nevenverzoek, i.e. een verzoek om onmiddellijke voor- zieningen (een (initieel) enquêteverzoek kan wel zonder een verzoek om die voor- zieningen worden ingediend, maar niet andersom). Betoogd zou kunnen worden dat deze bijzondere aard van het enquêtemiddel zich verzet tegen het ontnemen van rechtsmacht van de Ondernemingskamer door middel van het bij uitsluiting aanwijzen van een gerecht van een andere lidstaat ter beslechting van enquêterechtelijke (vennootschapsrechtelijke) geschillen.76 Niettemin zie ik daar prima facie noch secunda facie een (mogelijke) juridische – buiten het Nederlandse recht gelegen – basis voor.
Het ingang willen doen vinden van de stelling dat het in het kader van een enquêteprocedure gaat om het doen instellen van een ‘onderzoek’ naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon (videart. 2:345, eerste lid, BW) en bijgevolg niet, althans niet primair, om het laten beslechten van een ‘geschil’ in de zin van art. 25, eerste lid, EEX-Vo II, lijkt mij moeilijk houdbaar, niet alleen in het licht van de enquêtedoeleinden,77 maar ook omdat de aanleiding voor zulk (een verzoek om) een onderzoek wel degelijk geschillen tussen, generaliter en formeel gezien, een of meer houders van (certificaten van) aandelen en een of meer (te enquêteren) vennootschappen dan wel, materieel gezien, tussen of binnen organen daarvan betreffen, hetwelk niet alleen blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Ondernemingskamer (de art. 2:350, eerste lid, BW-beoordeling), maar ook uit de onmiddellijke voorzieningen, die in de regel eveneens worden verzocht en getroffen.78
Uit het bovenstaande volgt dat ingeval, bij wijze van voorbeeld, in de statuten van een Nederlandse (naamloze of besloten) vennootschap een – zowel formeel als materieel geldige – art. 25 EEX-Vo II-forumkeuzeclausule is opgenomen die een gerecht in Frankrijk aanwijst, het forum prorogatum, om bij uitsluiting van alle andere gerechten kennis te nemen van geschillen die ook door middel van het Nederlandse enquêterecht zouden kunnen worden beslecht, dan dient de Ondernemingskamer, het forum derogatum, zich onbevoegd te verklaren indien een houder van (certificaten van) aandelen van die vennootschap zich desondanks tot haar wendt met een art. 2:345 BW-verzoek (het betreft een zaak coram non iudice).79 Doet zij dat niet, en verklaart zij zich in weerwil van zulk een clausule toch bevoegd, dan handelt zij in strijd met het (hogere) Unierecht. De beoordeling van de vraag of de forumkeuzeclausule materieel geldig is, dient, voor zover dat aan het nationale recht wordt overgelaten, te geschieden op grond van de lex fori prorogati, inclusief het conflictenrecht, zodat de Ondernemingskamer alleen haar eigen recht kan toepassen als dat door de vreemde verwijzingsregels wordt aangewezen.
De Franse rechter zal vervolgens aan de hand van zijn commune materiële IPR-regels moeten bepalen welk recht hij moet toepassen. Ik breng in herinnering dat Frankrijk het stelsel van de werkelijke zetel aanhangt. Dit stelsel knoopt, ter bepaling van het op de rechtspersoon toepasselijke recht, aan bij het recht van het land waar de werkelijke zetel is gevestigd.80 Ervan uitgaande dat de overeenkomstig Nederlands recht opgerichte vennootschap (mede) alhier haar werkelijke zetel heeft, dan zal de Franse rechter – onverminderd het Franse procesrecht (de lex fori processus) –81op die vennootschap het Nederlandse recht moeten toepassen. Stel dat de desbetreffende aandeel- of certificaathouder bij die rechter een enquêteverzoek heeft ingediend, dan zal hij, afhankelijk van de vraag of dit onderwerp naar het commune, Franse conflictenrecht onder het aangewezen toepasselijke recht valt (cf.art. 10:119 BW), het recht van enquête als bedoeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 BW moeten toepassen. Hierin (hierover) zal hij zich, voor zover van belang, moeten (laten) verdiepen (voorlichten), bijvoorbeeld door raadpleging van relevante literatuur. Tevens zal hij de voor hem van belang zijnde jurisprudentie van de Ondernemingskamer en van de Hoge Raad in acht moeten nemen en binnen de door hen uitgezette lijn(en) moeten blijven. Waar het om gaat, is dat de Franse rechter het Nederlandse enquêterecht (zoveel mogelijk) uitlegt en toepast als hier te onzent gebeurt.82 Het behoeft geen betoog dat dit geen gemakkelijke opgave zal zijn.
Als het Franse gerecht tot het oordeel komt dat een enquête bij de Nederlandse vennootschap geïndiceerd is, dan dringt de vraag zich op of het feit dat in art. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW is bepaald dat ‘de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam’ desverzocht een of meer personen kan benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, daaraan in de weg staat, nu de Franse rechter niet de Ondernemingskamer is. Bij bevestigende beantwoording daarvan leidt dat tot de schizofrene situatie dat het Franse gerecht wél – privatief – bevoegd is kennis te nemen van enquêterechtelijke geschillen, maar vervolgens níét nadat het Nederlandse recht is aangewezen en de inhoud daarvan is opgespoord en vastgesteld,83 bevoegd zou zijn dat toe te passen en daarmee dergelijke geschillen te beslechten door (om te beginnen) het gelasten van een enquête (hetzelfde geldt voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen; videart. 2:349a, tweede lid, BW); dat mag alleen de Ondernemingskamer,84 die in dezen echter geen rechtsmacht heeft. Mijns inziens is het van tweeën één (tertium non datur): ofwel de Franse rechter is bevoegd tot zowel de kennisneming als de beslechting van het door de forumkeuze beheerste geschil, ofwel de Franse rechter is noch bevoegd tot kennisname daarvan, noch bevoegd tot beslechting ervan. Dat laatste zou betekenen dat enquêterechtelijke geschillen niet vatbaar zouden zijn voor een (exclusieve) forumkeuze als bedoeld in art. 25 EEX-Vo II, quod non.
Naar mijn inzicht moet het antwoord op de hogergenoemde vraag ontkennend luiden. Daartoe voer ik als dragend argument aan dat de Franse rechter niet gebon- den is aan de Nederlandse regels inzake de absolute en relatieve competentie (het wie en waar). Hij dient zijn bevoegdheid te bepalen aan de hand van de EEX-Verordening II. In dezen kan de rechter die stoelen op art. 25 EEX-Vo II. Dit brengt mee dat hij van de bij hem aangebrachte enquêtezaak kennis kan nemen. Interne regels van procesrechtelijke aard als hiervoor bedoeld kunnen daar niet aan afdoen.85
Hierbij voegt zich als ondersteunend argument dat in de vorenbedoelde schizofrene situatie afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect86 van voornoemd artikel en de Franse rechter daarom tot toepassing van het Nederlandse enquêterecht moet kunnen overgaan.