Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.4.1
7.4.1 Stadsburgerschap in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181175:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Groot 2005, p. 377. Hierin schrijft De Groot: “Het is een feit van algemene bekendheid dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden geen centralistische staat was, maar eerder een soort statenbond en geen Republikeinse ‘nationaliteit’ kende. Binnen de Republiek kon men burger van een stad zijn of tot een bepaalde heerlijkheid behoren.” Zie in dit kader ook: M. Prak, Citizens without Nations. Urban Citizenship in Europe and the World, c.1000- 1789, Cambridge: Cambridge University Press 2018, hoofdstuk 7.
S.J. Fockema Andreae, De Nederlandse staat onder de republiek (10e druk), 1985; Jonathan I. Israel, The Dutch Republic. Its rise, greatness and fall, 1477-1806, 1995.
Rutjes schrijft: “From the Middle Ages up to the nineteenth century, the burger in the Low Countries was primarily defined as the privileged inhabitant of a city.” Rutjes 2015, p. 74.
Maarten Prak, ‘Burghers into Citizens: Urban and National Citizenship in the Netherlands during the Revolutionary Era (c. 1800)’, Theory and Society, Vol. 26, no 4, Special Issue on Recasting Citizenship 1997, p. 404-405. Op p. 403 schrijft Prak: “Under the Old Regime no such thing as Dutch citizenship existed. The state, i.e., The Dutch republic […] composed of seven sovereign provinces. These provinces did not have citizens either, at least in the formal sense. Citizenship in the Dutch Republic was a local, more specifically an urban phenomenon. There was nothing unusual in this: urban citizenship was the norm throughout early modern Europe.”
H.J.A. Raedt van Oldenbarnevelt, De Wet tot uitvoering van art. 7 der Grondwet, in hare betrekking tot het Burgerlijk regt en het Staatsregt, Leyden: Hazenberg 1851, p. 25 e.v., over naturalisatiepraktijken in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Prak 1997, p. 404. Prak schrijft dat de burgers van Den Bosch het burgerschap na de verkrijging (dat wil zeggen geboorte of doop in Den Bosch) niet meer konden verliezen.
Prak 1997, p. 405. Daarnaast kon het burgerschap in bijvoorbeeld Amsterdam worden gekocht voor 50 gulden.
Prak 1997, p. 405.
Prak 1997, p. 405.
Prak 1997, p. 406.
Prak 1997, p. 406.
Pas in 1891 constateerden historici dat het pamflet was geschreven door de patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol. R. Aerts, H. de Liagre Böhl, P. de Rooy, Henk te Velde, Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van nederland 1780-1990, Nijmegen/ Amsterdam: Sun 1999, p. 28.
Het eerste deel van het pamflet luidt als volgt: “Volk van Nederland! Waarde medeburgers! Indien gij mij, schrijver dezes, in mijn persoon, denkwijze en particuliere omstandigheden kende, zou ik U niet behoeven te verzekeren, dat ik geen fortuinzoeker ben; dat ik niet alleen nooit enig ambt heb bekleed, maar dat ik er zelfs nooit een bekleden noch begeren kan; dat ik derhalve volkomen belangeloos en daarom geloofwaardig ben, wanneer ik U betuig, gelijk ik voor den Alwetenden God doe, dat niets dan verontwaardiging over de goddeloze wijze, waarop ge verkocht en verraden wordt, mij dringt om mij tot U te wenden; en daarnaast met een vurige begeerte om, eer het voor altijd te laat is, nog een poging tot Uw, tot ons aller redding te doen. Het is, mijn waarde medeburgers! niet sinds gisteren of eergisteren dat men U bedriegt en mishandelt; neen, ge zijt, om niet van vroeger tijden te spreken, nu sedert bijna twee eeuwen de speelbal geweest van allerlei heerszuchtige lieden, die, onder de schijn van voor Uw belangen en vrijheid te zorgen, niets – ja, zowaar als er een God is, aan wie ik wegens dit geschrift rekenschap zal moeten geven – volstrekt niets anders beoogd hebben dan een erfelijk juk op Uw vrije halzen te drukken. Vergun mij derhalve, dat ik U uit de geschiedenis van ons vaderland – niet zoals die U door gehuurde schrijvers of onkundige of met vooroordelen behepte mensen maar al te dikwijls wordt voorgesteld, maar zoals de zaken waarachtig gebeurd zijn – met weinig woorden en in een eenvoudige en verstaanbare taal mag uiteenzetten, hoe het er eigenlijk mee gelegen is, en wat men met U, met ons allen, met het Nederlandse Volk steeds heeft voorgehad.” Het pamflet wordt afgesloten met de constatering dat de schrijver de getrouwe medeburger van het volk van Nederland is. Ook hier doet de schrijver derhalve een beroep op zijn status als burger.
Rutjes 2015 schrijft op p. 76: “Many Batavian revolutionaries argued that the legal position of the citizen as inhabitant of a city should be abandoned in favour of membership of the Dutch nation-state, and claims were made for the extension of natural and civic rights to all inhabitants of the Republic.”
Zoals hiervoor besproken, had de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden geen eigen burgerschap.1 Dit had mede een constitutionele oorzaak. De constitutionele structuur van de Republiek was immers zo ingericht dat de gewesten soeverein waren en niet de Republiek.2 De aangelegenheden van de Republiek waren beperkt tot uitwendige aangelegenheden, zoals de buitenlandse betrekkingen, marine, landmacht en het toezicht op de hiervoor aangehaalde VOC en de WIC. Andere aangelegenheden vielen onder de autonome interne bevoegdheden van de gewesten zelf. De ingezetenen van de Republiek hadden geen rechtsverhouding tot de Republiek, noch tot de gewesten, maar waren verbonden aan de stad waarvan zij ingezetene waren.3 In plaats van burgers van de Republiek of van de gewesten van de Republiek waren er burgers van bijvoorbeeld Den Bosch, Amsterdam, Nijmegen en Deventer.4 De verkrijging van het burgerschap van deze steden verschilde per stad.5 De steden waren namelijk bevoegd regels uit te vaardingen ten aanzien van de toekenning en het verlies van het eigen stadsburgerschap. Men werd burger van, bijvoorbeeld, Den Bosch indien men geboren of gedoopt was in Den Bosch.6 In Amsterdam en Deventer verschilde de verkrijging van het burgerschap: daar kon men aanspraak maken op het burgerschap indien men deel uitmaakte van de burgerij.7 Bij de aanvaarding van het burgerschap dienden de nieuwe burgers te beloven loyaal te zijn aan de Staten-Generaal, de stadhouder, de stad en de medeburgers.8
De vraag dient zich aan wat de privileges en de verplichtingen zijn die deze vormen van stadsburgerschap met zich brachten in de verschillende steden van de Republiek. De rechten en plichten die gekoppeld waren aan het stadsburgerschap, hingen af van de stad die het burgerschap toekende. In ieder geval valt op dat, ongeacht de stad, de rechtsverhouding tussen de burger en de desbetreffende stad wederkerig was vormgegeven. Dat wil zeggen dat beide actoren over en weer rechten en plichten hadden. Het recht van de ene actor omvatte de plicht van de andere actor. Een belangrijk recht dat het stadsburgerschap van bijvoorbeeld Den Bosch met zich bracht voor de burger was dat het stadsburgerschap toegang verschafte tot lidmaatschap bij een gilde.9 Daarnaast kon enkel een burger van Den Bosch een publieke functie in de stad uitoefenen en tot slot kon de burger alleen worden berecht door een lokale rechtbank.10 Voor wat betreft de verplichtingen van de burger van Den Bosch jegens de stad werden onder andere het betalen van belasting genoemd en plichten in het kader van milities.11
Het voorgaande illustreert dat het stadsburgerschap in de Republiek wordt gekenmerkt door een wederkerige rechtsverhouding tussen de burger en de stad. Daarnaast valt ook in dit stadsburgerschap een beloningsaspect te ontwaren. Het stadsburgerschap bracht immers verschillende privileges en rechten met zich, die niet-burgers ontbeerden. Ook dit type burgerschap, het stadsburgerschap, sluit derhalve niet-burgers uit en voorziet in privileges en rechten voor de burgers.
In hoofdlijnen toont deze vorm van burgerschap overeenkomsten met het burgerschap in de klassieke oudheid, zoals in Athene en Sparta. Daar is in paragraaf 2.2 van Hoofdstuk II (‘De geboorte van burgerschap in de Griekse poleis’) aandacht aan besteed. Zo verschilde de toekenning en het verlies van het burgerschap in de verschillende Griekse poleis. Het burgerschapsbegrip aldaar kan – het ene burgerschap meer dan het andere – ook worden omschreven als wederkerig. De burger had verschillende privileges en rechten ten opzichte van de niet-burger in de stad waarvan hij ingezetene was. Niettemin stonden tegenover de privileges en de rechten ook verscheidene verplichtingen. Zo ook in de Republiek, waarvan zoals hiervoor omschreven de verschillende steden een eigen stadsburgerschap hadden.
Dit lokale stadsburgerschap kwam in de tweede helft van de achttiende eeuw in het geding. Gaandeweg werd in de tweede helft van de achttiende eeuw de nadruk gelegd op de burgers van de gehele Republiek, in plaats van de burgers van de verschillende steden afzonderlijk. Een voorbeeld hiervan vormt het befaamde pamflet ‘Aan het volk van Nederland’ uit 1781. Dit anoniem12 geschreven pamflet werd in de nacht van 25 op 26 september verspreid in de grote steden van de Republiek, en was gericht tegen het bewind van stadhouder Willem V en de verdere opeenhoping van de macht over de Republiek in de handen van de Oranjes. In het pamflet wordt meerdere malen een beroep gedaan op de (mede)burgers van de Republiek – hoewel de Republiek zelf zoals hiervoor blijkt geen eigen burgerschap tot haar beschikking had.13 De eerste stappen naar een staatsburgerschap deden zich voor bij de installatie van de Bataafse Republiek in 1795. Verschillende Bataven pleitten naar Frans voorbeeld voor een uniform burgerschap voor de gehele Bataafse Republiek.14 Deze gedachte kreeg zijn weerslag in de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 7.4.2.