Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.1.7
6.2.1.7 Casuspositie 6: De co-ouder (BNB 2021/76)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661279:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Gebaseerd op HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76. Deze casus is vergelijkbaar met BNB 1990/148 (onvolledige toelichting bij het aangiftebiljet en een telefonische inlichting), vanwege de combinatie van algemene voorlichting en individuele inlichtingen.
Achtergrond: Een van de voorwaarden voor de IACK betreft de inschrijvingseis van het kind in de GBA bij de ouder. Bij co-ouderschap kunnen niet beide ouders daaraan voldoen, want het kind kan maar op één adres staan ingeschreven. Daarom is in de Uitvoeringsregeling IB 2001 voorzien in een regeling die, voor zover hier relevant, inhoudt dat het kind tot het huishouden van beide ouders behoort indien het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft (zie verder het commentaar van Mol-Verver in FED 2021/92).
Zie voor het standpunt van de inspecteur in r.o. 2.4.1 van het arrest en r.o. 4.3 hofuitspraak in BNB 2021/76.
Zie voor het standpunt van belanghebbende in r.o. 4.2 van de hofuitspraak in BNB 2021/76.
Zie de hofuitspraak r.o. 5.15: ‘Dat de Inspecteur een andere opvatting heeft over de betekenis van de geciteerde passage, zoals die tot 8 juni 2018 luidde, doet daaraan niet af, doch bevestigt slechts dat deze passage in de toen geldende tekst op meer dan één manier kon worden en werd uitgelegd. Dit blijkt ook uit het feit dat de Belastingdienst het nodig heeft geacht om aan de hierboven geciteerde passage, zoals die tot 8 juni 2018 luidde, op 8 juni 2018 toe te voegen “Met 3 hele dagen bedoelen wij 3 keer 24 uur per week”.’
Casuspositie
Type voorlichting
Communicatiewijze
Aard
Tekortkoming
Beroep op vertrouwensbeginsel
6. De co-ouder1
Website + BelastingTelefoon
Geschreven + gesproken
Algemeen + individueel
Onvolledig/onduidelijk
Slaagt niet (dispositievereiste)
De situatie
Een moeder en haar ex-partner hebben co-ouderschap over hun dochter. Bij de aangifte verzoekt de moeder om toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Op de website van de Belastingdienst stond vermeld:“Co-ouderschap [] Bent u co-ouder? En staat uw kind bij de Basisregistratie Personen ingeschreven op het woonadres van de andere ouder? Dan hebt u toch recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting als uw kind doorgaans ten minste 3 hele dagen per week in elk van de huishoudens verblijft. U voldoet ook aan deze eis als het kind om de week bij de ene en de andere ouder verblijft.”2De moeder raadpleegt deze informatie en neemt vervolgens contact op met de BelastingTelefoon om haar begrip van de voorwaarden te verifiëren. Volgens de moeder is met het verblijfsschema van haar dochter bij haar voldaan aan de verblijfseis van ‘drie gehele dagen’. De inspecteur weigert echter de IACK, omdat van een verblijf van 3 x 24 uur geen sprake is. Mag de moeder vertrouwen op de (aanvankelijke) tekst van de website en/of de informatie van de BelastingTelefoon?
Standpunt Belastingdienst, burger en belastingrechter
Belastingdienst: Volgens de inspecteur staat op de website algemene informatie over de voorwaarden van de IACK, waaraan in beginsel geen vertrouwen kan worden ontleend.3 De Belastingdienst is in de regel evenmin gebonden aan uitingen via de BelastingTelefoon. De latere wijziging van de tekst op de website betreft geen inhoudelijke wijziging van het criterium, maar een verduidelijking.Burger: Volgens de moeder moet het begrip ‘een gehele dag’ (zoals vermeld op de website) naar algemeen spraakgebruik en maatschappelijke opvatting worden uitgelegd.4 Op basis daarvan dienen, kort gezegd, ook dagen waarop het kind vroeg in de morgen bij de moeder wordt gebracht of ’s avonds voor het slapen gaan wordt opgehaald als gehele dagen te worden aangemerkt. De moeder beroept zich er tevens op dat de Belastingdienst zijn informatie op de website op een later moment (na afloop van het betreffende belastingjaar en na indiening van de aangifte van de moeder) heeft gewijzigd met de volgende aanvulling: “Met 3 hele dagen bedoelen wij 3 keer 24 uur per week.” Volgens de moeder is de tekstwijziging een inhoudelijke verscherping van de uitleg die de Belastingdienst geeft aan de woorden ‘drie gehele dagen’. Een medewerker van de BelastingTelefoon heeft bovendien aan haar – nadat zij het ouderschapsplan met de verblijftijden telefonisch had toegelicht – meegedeeld dat zij recht had op toepassing van de IACK.Belastingrechter: De Hoge Raad neemt hetzelfde beoordelingskader als in casuspositie 1, 2, 3 en 5. Nu de moeder niet aan het dispositievereiste voldoet (er is geen sprake van voortbouwen), mag zij niet vertrouwen op de toelichting op de Website en/of de uiting van de BelastingTelefoon. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Het juridisch perspectief en het burgerperspectief
Juridisch perspectief: Vanuit dit perspectief kan, gezien het geldende beoordelingskader, worden verklaard dat de burger in deze situatie niet mag vertrouwen op de uitingen op de website en/of de BelastingTelefoon. Als de burger niet voldoet aan het dispositievereiste, wordt de Belastingdienst simpelweg niet gebonden aan zijn uiting.Burgerperspectief: Vanuit dit perspectief ligt een andere uitkomst voor de hand. Het communicatieve doel van de informatie op de Website is burgers informeren over de IACK (common ground). Tussen de Belastingdienst en de burger blijkt sprake van miscommunicatie. Die vindt in dit geval zijn oorzaak in een misverstand: de burger vat het criterium van gehele dagen op conform het gewone spraakgebruik, terwijl de Belastingdienst het criterium in een specifieke betekenis bedoelt (technische interpretatie). De juridische precisering die de Belastingdienst voor ogen staat, is echter niet in de bewoordingen van de uiting neergelegd. Gegeven de werking van taal en de communicatieve principes, mag de burger dan (zeker als minder deskundige ontvanger) ervan uitgaan dat de Belastingdienst niet iets meer specifieks bedoelt dan er staat. Gezien de mogelijkheid van afwijkende interpretaties van de specifieke, bedoelde betekenis,had de Belastingdienst daarmee rekening moeten houden bij zijn formulering om de ontvanger niet op het verkeerde been te zetten. Dat kon tegen relatief lage kosten, zoals de latere aanpassing op de website toont (enkele woorden5). Nu de Belastingdienst die toevoeging niet heeft gemaakt, terwijl dat wel nodig was voor een juiste interpretatie, valt de zender een verwijt te maken (paragraaf 5.6). Daarbij komt dat de burger de gemaakte interpretatie heeft geverifieerd bij de BelastingTelefoon, hetgeen de gewekte communicatieve verwachtingen heeft versterkt. De uiting bevat geen hedge. Bovendien impliceert de latere tekstwijziging inderdaad een wijziging (concretisering) van de bedoeling van de Belastingdienst. Het voorgaande betekent dat de burger vanuit communicatief oogpunt erop mag rekenen dat de Belastingdienst instaat voor de inhoud. Dit geldt eens te meer aangezien de burger in dit geval bij de BelastingTelefoon heeft geverifieerd of de gemaakte interpretatie juist is (interactionele controle; paragraaf 5.6).
Confrontatie van perspectieven
De casus laat een conflict tussen de perspectieven zien: de burger rekent op communicatieve gebondenheid van de Belastingdienst, terwijl in juridisch opzicht van gebondenheid geen sprake is. Deze casuspositie laat bovendien zien hoe het spanningsveld tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid bij de uitvoering van de voorlichtende taak tot knelpunten kan leiden (‘simplexity’; zie ook casus 5). Elke extra zin kan voorlichting inhoudelijk preciezer maken, maar ook ontoegankelijker. Hoe verhouden de afwegingen van de Belastingdienst als zender hierbij zich tot de verwachtingen die bij burgers in concrete gevallen kunnen ontstaan over de communicatieve betekenis van een uiting? Tot slot dringt zich in deze casus (opnieuw) de vraag op waarom het juridisch bezien zonder consequenties blijft wanneer voorlichting niet voldoende duidelijk of specifiek blijkt (kwaliteitseisen aan voorlichting). Waarom moet als regel de burger dit gehele risico dragen, terwijl het niet voor de hand ligt dat hij het beter weet dan de Belastingdienst? En waarom houdt de belastingrechter bij de beoordeling van het gewekte vertrouwen geen rekening met het feit dat de burger moeite heeft ondernomen om zijn interpretatie te controleren (via de BelastingTelefoon) en daarbij opnieuw op het verkeerde been is gezet?