Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.5.2
2.5.2 Amortisatie-Syndicaat
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Fritschy & Van der Voort 1994, p. 13.
Wet van 27 december 1822, Stb. 1822, 59. Voor een uitgebreide lezing over het Amortisatie-Syndicaat en de staatsfinanciën onder Willem I, zie de dissertatie van Riemens 1935.
Riemens 1937, p. 29-37.
In 1814 werd deze aparte kas opgericht ter aflossing van de staatsschuld. Ook in veel andere west-Europese landen werd gebruik gemaakt van een dergelijke kas ten behoeve van amortisatie van de staatsschuld, zoals het Engelse Sinking Fund daterend uit 1716. Riemens 1935, p. 29-37.
Het Syndicaat was o.a. belast met de rentebetaling en de aflossing van de leningen. Riemens 1935, p. 39-43.
Die tot 1822 alleen maar was toegenomen. Daarnaast had het ook een derde taak namelijk het beheren en uitbetalen van de pensioenen, lijfrenten en wachtgelden. Riemens 1935, p. 74 en 75.
Riemens 1937, p. 159 en Riemens 1935, p. 110.
Zie bijvoorbeeld Riemens 1935, p. 109-113. Dit laatste was met name het geval bij de financiering van grote werken, zoals de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, een kanaal van Maastricht tot Den Bosch.
Riemens 1935, p. 177-178.
Riemens 1937, p. 152-153.
Het bijhouden van de nationale schuld was een taak van de Algemene Rekenkamer. Het opnemen en de verantwoording over het aflossen van de leningen werd toevertrouwd aan een kleine commissie binnen de Algemene Rekenkamer die bovendien tot geheimhouding verplicht was. Buist 1989, p. 162.
Fritschy & Van der Voort 1994, p. 14.
Riemens 1935, p. 139 en Riemens 1937, p. 153.
Riemens 1935, p. 81.
Buys 1857, p. 68.
De Tweede Kamer bracht de kritiek tot uiting door het verwerpen van de tweede tienjaarlijkse begroting die gepaard ging met de staat van het Amortisatie-Syndicaat.
Riemens 1937, p. 161 en Riemens 1935, p. 180 e.v.
Riemens 1935, p. 198-199.
De oprichting van het Amortisatie-Syndicaat was tussen 1822 en 1830 een van de belangrijkste instrumenten van de Koning om de staatsfinanciën zoveel mogelijk te onttrekken aan het zicht van het parlement.1 Er was immers geen bepaling in de wet of Grondwet die eiste dat de begroting alle uitgaven omvatte. Een deel van de uitgaven en inkomsten werden ten laste gebracht van een zelfstandig lichaam, het Amortisatie-Syndicaat, ingesteld in 1822.2 De buitengewone, jaarlijkse, begroting werd voortaan in twee delen gesplitst: een deel ten laste van de Staat en een niet openbaar deel ten laste van het Amortisatie-Syndicaat.3
Het Amortisatie-Syndicaat dat voorzag in een samenvoeging van de Amortisatiekas4 en het Syndicaat der Nederlanden,5 had met name tot taak om (buitengewone) kredieten – leningen – te verschaffen aan de Staat en om de nationale schuld te verminderen.6 De wet tot oprichting van het Amortisatie-Syndicaat bepaalde over welke middelen het Amortisatie-Syndicaat de beschikking had en waartoe deze middelen waren bestemd.7 Het Amortisatie-Syndicaat kreeg het recht tot het uitschrijven van leningen. Al snel werden er verschillende buitenwettelijke betalingen verricht en buitenwettelijke leningen aangegaan door het Amortisatie-Syndicaat – obligatieleningen werden bijvoorbeeld bij koninklijk besluit, dus buiten het parlement om, aangegaan.8 Hoewel het doel van het Syndicaat was om de staatsschuld te verminderen nam de staatsschuld onder het Amortisatie-Syndicaat alleen maar toe.9
Vooral tussen 1822 en 1830 heeft het Amortisatie-Syndicaat een steeds groter gedeelte van de staatsmiddelen naar zich toegetrokken. Er was geen sprake van een jaarlijkse begroting of rekening van het doen en laten van het Amortisatie-Syndicaat.10 Enkel werd eenmaal per jaar aan de Staten-Generaal verslag gedaan van de afbetaling van de staatsschuld en werd er een bedrag vastgesteld dat voor het komende jaar voor de aflossing kon worden bestemd. Verder werden alle handelingen buiten de openbaarheid gedaan en werd slechts eens in de tien jaar bij het vaststellen van de gewone begroting een staat van de bezittingen en de schulden van het Amortisatie-Syndicaat aan de Staten-Generaal overgelegd. Ook de Algemene Rekenkamer had geen zicht op het doen en laten van het Amortisatie-Syndicaat.11 Het Amortisatie-Syndicaat legde alleen verantwoording af aan de Koning.12 Het Amortisatie-Syndicaat werd al naar gelang de behoefte van de schatkist in opdracht van de Koning aangewend.13
Dit was zeer bezwaarlijk met het oog op het budgetrecht, omdat dit betekende dat een groot deel van de staatsfinanciën niet kon worden gecontroleerd door het parlement.14 Volgens Buys gaf het parlement hiermee haar ‘eersten en heiligsten’ plicht, namelijk het toezicht houden op de financiën, prijs.15
In 1829 werd de macht van het Amortisatie-Syndicaat bij wet ingeperkt nadat er steeds meer kritiek kwam op het lichaam: het parlement wilde meer inzage in de financiën.16 Door een verkeerde toepassing van de wet leverde de wet echter niet de gewenste resultaten op.17 Hoewel het parlement ook na 1829 bleef volharden in zijn kritiek op het Amortisatie-Syndicaat en de algemene financiële politiek van de Koning, verdween de kritiek op het (onwettige) handelen en de (ongewenste) invloed van het Amortisatie-Syndicaat op de financiën van de Staat meer naar de achtergrond. Dit kwam onder andere door de opstand en afsplitsing van België die voor een groot deel beslag legde op de staatsfinanciën en welke strijd de Koning tot 1839 volhield.18