Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/3.2.3
3.2.3 Begrip 'beslissing' en processuele beslissingen
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373468:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 32, aant. 2.
P. Stone, Civil Jurisdiction and Judgrnents in Europe, London:Longman, 1998, p. 145; Dicey & Morris (2000), p. 419 (12-066).
Een 'anti-suit injunction' beperkt namelijk de toegang tot de rechter (Dicey & Morris (2000), p. 419 (12-066)).
P. Stone, op. cit., p. 144.
Indien parallelle procedures in de verschillende verdragsstaten worden gevoerd, dient gebruik te worden gemaakt van de door het verdrag (en in navolging daarvan door de EEX-Verordening) geboden mogelijkheid tot het doen van een beroep op de litispendentie en/of de connexiteit om te voorkomen dat twee verschillende rechters over één en hetzelfde geschil oordelen (T.C. Hartley, ICLQ 2000, p. 168-169).
M. Lenenbach, 'Antisuit Injunctions in England, Germany and the United States: Their Treatment Under European Civil Procedure and the Hague Convention', Loyola of Los Angeles International & Comparative Law Jountal, 1998, p. 257. Anders]. Krause, 'Turner/Grovit - Der EuGH erklärt Prozessführungsverbote für unvereinbar met dem EuGVÜ', RIW2004, p. 533-541 (i.h.b. p. 539).
HvJ EG 27 april 2004, C-159102, n.n.g., Turner/Grovit. Zie over dit arrest]. Krause, RIW2004, p. 533541. Zie over de problematiek van de verenigbaarheid van de 'anti-suit injunctions' met de EEXregeling M. de Lind van Wijngaarden Maack, 'Vorlage an den EuGH zur Vereinbarkeit von antisuit injunctions mit dem EuGVÜ', IPRax 2003, p. 153-158; Ch. Thiele, 'Antisuit injunctions im Lichte europäischen Gemeinschaftsrechts', RIW 2002, p. 383-386; C. Ambrose, 'Can anti-suit injunctions survive European Community Lawr, ICLQ 2003, p. 401-424; H. Muir Watt, Ren/x.7114e drint.pr. 2003, p. 116-126.
In de procedure is erop gewezen dat de 'anti-suit injunctions' processuele maatregelen zijn waarop de EEX-regeling niet van toepassing is. Dit wordt door het HvJ EG bevestigd. Dergelijke maatregelen worden beheerst door de lex fori van de staat waar de procedure aanhangig is. De toepassing daarvan mag echter niet aan het nuttig effect van de EEX-regeling afbreuk doen.
Zie over de schending van het vertrouwen in elkaars rechtspraak door een 'anti-suit injunction' Th. Rauscher, 'UnzuMssigkeit einer anti-suit injunction unter Brbssel IPRax 2004, p. 405-409 (i.h.b. p. 406 en 409).
HR 8 oktober 1993, NJ 1994, 508 (HJS). Zie ook Den Tonkelaar (Vermogensrecht), Art. 13, aant. 17.
Hugenholtz/Heemskerk (2002), nr. 7. Zie nader over de schadevergoedingsplicht bij het handelen in strijd met een verbod op het instellen van een nieuwe vordering: B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, diss. UL, Recht en Praktijk 128, Deventer: Kluwer 2004, p. 288 e.v.
Onder het begrip 'beslissing' vallen ook de processuele beslissingen, mits deze een bepaald aspect van een rechtsbetrekking tussen de betrokken partijen tot onderwerp hebben. Dit brengt met zich mede dat beslissingen die zonder medewerking van een rechter niet nageleefd kunnen worden dan wel betrekking hebben op de (processuele) positie van de derden in beginsel niet onder de EEX-regeling vallen.1 Eveneens komt een beslissing van een rechter omtrent diens bevoegdheid mijns inziens niet in aanmerking voor erkenning in een andere lidstaat. Indien de Franse rechter zich onbevoegd heeft verklaard, omdat de verweerder woonplaats heeft in Duitsland en de plaats van uitvoering in de zin van art. 5 sub 1 EEX-Verordening zich volgens de aangezochte Franse rechter eveneens in Duitsland bevindt, is de Duitse rechter aan deze beslissing niet gebonden. Elke rechter van een lidstaat moet, met name in verband met art. 59 en 60 EEX-Verordening, zelfstandig over zijn bevoegdheid een oordeel kunnen geven.2 Dit is ook een argument voor de niet-erkenning van 'anti-suit injunctions' naar Engels recht.3 Een dergelijke 'injunction' verbiedt de partijen de procedure voor een andere rechter voort te zetten dan wel aanhangig te maken. De vraag rijst dan of bijvoorbeeld de Nederlandse rechter een beslissing van de Engelse rechter, waarbij aan de partijen verboden wordt een procedure voor de Nederlandse rechter voort te zetten, dient te erkennen. De Engelse rechter pleegt in grensoverschrijdende gevallen niet vaak een dergelijke 'injunction' te verlenen. Een 'anti-suit injunction' wordt door de Engelse rechter gelast indien in het buitenland een procedure wordt gevoerd, hoewel sprake is van een exclusieve bevoegdheid van de Engelse rechter of van een arbitrageclausule. Wordt in weerwil van een 'anti-suit injunction' een rechterlijke beslissing in het buitenland gegeven, dan plegen de Engelse gerechten de beslissing in verband met strijd met de openbare orde niet te erkennen.4 Mijns inziens is de aangezochte erkenningsrechter niet gebonden aan een beslissing waarbij een van de partijen verboden wordt om voor hem te procederen. De EEX-Verordening bevat, in navolging van het EEX-Verdrag, immers een zodanig systeem van bevoegdheidsregels dat elke aangezochte rechter, de rechter van de lidstaat waar een 'parallelle' procedure wordt gevolgd niet uitgezonderd, zelf over zijn internationale bevoegdheid moet oordelen. Aldus getuigt het gebruik van een grensoverschrijdende 'anti-suit injunction' van weinig respect voor een 'communautaire' regeling, zoals de EEX-Verordening en het EEX-Verdrag.5 In de literatuur is voorgesteld dat een 'anti-suit injunction' wel in het kader van het EEX-Verdrag - en dus thans onder de verordening - dient te worden erkend indien deze door een eerst aangezochte rechter bij een 'parallelle' procedure gelast wordt. De beslissing dient dan als een (tussen)beslissing omtrent zijn eigen bevoegdheid te worden beschouwd.6 De complicatie bij een 'anti-suit injunction' is wel dat een dergelijke 'injunction' zich niet tegen de rechter richt, maar tegen één der partijen. Wordt in weerwil van een dergelijke 'injunction' een beslissing in het buitenland verkregen, dan is de kans aanwezig dat een dergelijke beslissing in het land alwaar een 'anti-suit injunction' is verkregen niet voor erkenning vatbaar is, omdat deze beslissing in strijd met de openbare orde wordt geacht.
Het HvJ EG heeft in zijn arrest van 27 april 2004 bepaald dat het EEX-Verdrag zich ertegen verzet dat een rechter van een verdragsstaat een partij in een bij hem aanhangige procedure een verbod oplegt om een procedure bij een andere rechter te entameren dan wel voort te zetten. Een dergelijk verbod is evenmin toegestaan indien deze partij te kwader trouw handelt om de reeds aanhangige procedure te belemmeren.7 In het voorliggende geval is Turner bij een vennootschap van Grovit in Spanje werkzaam geweest. Nadat hij het slachtoffer is geworden van pogingen om hem bij onwettige praktijken te betrekken, meent hij dat dit met een onrechtmatig ontslag gelijk wordt gesteld. Hij besluit derhalve bij het Employment Tribunal London (Verenigd Koninkrijk) een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag in te stellen, welke vordering door de Engelse rechter wordt toegewezen. In de tussentijd heeft Grovit bij het gerecht van eerste instantie te Madrid een vordering tegen Turner tot schadevergoeding wegens niet goed functioneren als werknemer ingesteld. Turner heeft echter geweigerd de betekening van het gedinginleidende stuk in deze procedure in ontvangst te nemen. Daarentegen heeft hij bij de High Court te Londen een 'anti-suit injunction' verzocht waarbij aan Grovit verboden zou worden de procedure voor de Spaanse rechter voort te zetten. Nadat dit verzoek door de High Court is afgewezen, heeft de Court of Appeal Grovit verboden om de procedure in Spanje voort te zetten dan wel om iemand anders een opdracht tot voortzetting te geven. In de procedure tegen dit verbod heeft de House of Lords aan het HvJ EG een prejudiciële vraag gesteld over de verenigbaarheid van 'anti-suit injunctions' met het EEX-Verdrag. Het Hof wijst erop dat de EEX-regeling gebaseerd is op het vertrouwen in elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties. De regeling staat het niet toe dat de bevoegdheid van een rechter door de rechter van een andere staat wordt getoetst. Het toestaan van de sanctiemaatregelen, zoals een 'anti-suit injunction', zou een inmenging in de toepassing van deze bevoegdheid tot gevolg hebben. Het EEX-Verdrag biedt volgens het Hof een regeling ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen, derhalve kan het doel dat door de 'anti-suit injunctions' mede wordt beoogd eveneens worden bereikt.8
Wat 'anti-suit injunctions' in Nederland betreft, dient op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage van 5 augustus 2004 te worden gewezen:9 In deze procedure inzake inbreuk op een Europees octrooi heeft de rechter in reconventie op vordering van de verweerders, vennootschappen waarvan een aantal eveneens in Nederland is gevestigd, aan de eiser, een Israëlische vennootschap, verboden om wederom in kort geding tegen de verweerders inbreukvorderingen in te stellen. In conventie heeft de voorzieningenrechter de inbreukvordering van de Israëlische eiser afgewezen. Ten aanzien van het verbod tot het instellen van een nieuwe vordering bij een andere rechter heeft de rechter overwogen dat geen Nederlandse wetsbepaling in de weg staat aan het uitspreken van een verbod tot het instellen van een procedure bij een andere rechter, indien voldaan is aan de eisen die gesteld worden aan het constateren van een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 jo. art. 3:13 BW. Mijns inziens is de uitspraak van de voorzieningenrechter in twee opzichten opmerkelijk. Ten eerste heeft het Hof in het reeds genoemde Turner/Grovit-arrest overwogen dat de EEX-regeling zich tegen het uitspreken van een grensoverschrijdende 'anti-suit injunction' verzet. Ook al wordt de bevoegdheid van de rechter op een andere bevoegdheidsregeling dan die van het EEX-Verdrag gebaseerd, het gebruik van een dergelijk instrument is naar mijn mening in strijd met het vertrouwen in elkaars rechtspraak.10 De Nederlandse rechter kan aan een der procespartijen de bevoegdheid tot het aanhangig maken van een vordering bij een andere rechter niet ontnemen. Hij kan zich slechts over zijn eigen bevoegdheid uitlaten. Ten tweede is het uitvaardigen door de Nederlandse rechter van een dergelijk verbod uitzonderlijk. Het herhaaldelijk instellen van een vordering kan misbruik van procesbevoegdheid opleveren.11 Dit kan echter slechts tot een niet-ontvankelijkverklaring van de eiser leiden. Stelt de eiser telkens in strijd met een verbod om te procederen een nieuwe vordering in, dan pleegt hij een onrechtmatige daad jegens de verweerder die een schadevergoedingsplicht tot gevolg kan hebben.12