Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/393
393 Toezicht houden als doel voor de machtsverschuiving
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372661:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Afgevraagd kan worden of deze traditionele visie, met name bij beursgenoteerde vennootschappen, nog wel gerechtvaardigd was en in hoeverre aansluiting bij het Duitse model niet meer voor de hand zou hebben gelegen. In 2004 is echter een duidelijke keuze gemaakt voor het huidige model.
Niet vergeten dient te worden dat Duitsland deze dwingende bevoegdheidsverdeling combineert met onder meer §87 AktG en een verhoogde kans op aansprakelijkheid van de commissarissen.
Overkleeft 2017, hoofdstuk 5.
Overkleeft 2017, hoofdstuk 6.
Zie in dit kader ook het voorstel voor een wettelijke bedenktijd in geval van overnames: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2017/05/20/kabinet-onderneemt-extra-actiesvoor-sterk-vestigings--en-investeringsklimaat (laatst bezocht op 16 augustus 2017).
Een verwijzing naar de voordracht van Trude Maas tijdens de Nationale Commissarissendag van 15 januari 2009) is opgenomen in Schenk e.a. (red.), ‘Deelonderzoek 1: overzicht en analyse van de relevante nationale en internationale regelgeving voor het financiële stelsel’, onderzoek in opdracht van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (Commissie De Wit) van 10 juni 2010. Kamerstukken II, 2009/10, 31 980, nr. 6, p. 130-131
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 28.
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 28.
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 28.
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 31.
De herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn zorgt bij beursgenoteerde ondernemingen voor een verdere verschuiving van de bevoegdheden om de bezoldiging vast te stellen in de richting van de aandeelhouders. Ook al blijft deze verschuiving voor Nederland op het eerste gezicht beperkt, het verdient desalniettemin de aandacht. Ik licht dat nader toe.
De Nederlandse keuze voor een bindende say-on-pay is niet verwonderlijk wanneer gekeken wordt naar de traditionele visie op de bevoegdheidsverdeling bij het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders in Nederland. Van oudsher ligt deze bevoegdheid primair bij de AVA.1 Bij de invoering van art. 2:135 lid 1 BW in 2004 werd dan ook gesproken over het herstellen van de scheefgroei in de vennootschappelijke verhoudingen. De bevoegdheid werd deels ‘teruggegeven’ aan de AVA, zonder het praktische voordeel te verliezen om bij beursgenoteerde vennootschappen (of andere grote naamloze vennootschappen) de individuele bezoldiging te laten vaststellen door de raad van commissarissen. De Nederlandse benadering verschilt daarin principieel van de Duitse, waar de primaire bevoegdheid tot het vaststellen van de bezoldiging al vroeg dwingendrechtelijk bij de Aufsichtrat is komen te liggen.2 Op grond hiervan is de aversie in Duitsland tegen een bindende say-on-pay te verklaren.
Dit principiële verschil tussen Nederland en Duitsland is wel opmerkelijk te noemen. De ‘shareholder empowerment’, die ten grondslag ligt aan het Britse corporate governance model, is het Nederlandse vennootschapsrecht hedentendage immers vreemd.3 Met zijn stakeholdersbenadering zit Nederland dichterbij Duitsland. Een verklaring kan worden gevonden in de golfbeweging vóór het versterken van de positie van de aandeelhouder die ten tijde van de aanpassing van art. 2:135 BW in 2004 door Nederland trok.4 De opkomst van aandeelhoudersactivisme en het intreden van de financiële crisis hebben gezorgd voor een tegenreactie. Een aversie tegen het versterken van de positie van aandeelhouders heeft de kop opgestoken.5 Tegenwoordig wordt er juist gepleit voor meer ruimte voor het bestuur en de raad van commissarissen om ten koste van een directe uitoefening van de rechten door aandeelhouders het belang van de vennootschap af te kunnen wegen.6 Het is dan ook zeer de vraag of in de huidige tijdgeest in Nederland een bindende say-on-pay over het bezoldigingsbeleid zou zijn opgenomen.
Trude Maas, voormalig commissaris bij ABN AMRO, blikte op deze pro-aandeelhoudersperiode terug met de volgende overweging:
“Sommige dingen hebben we als vanzelfsprekend aangenomen. Zo is er gekozen om aandeelhouderswaarde als criterium voor succes te nemen. Over die verreikende beslissing is heel weinig doorgesproken. We leefden allemaal in de sfeer die ook de achtergrond vormde voor de code-Tabaksblat: de aandeelhouder was in Nederland te lang te klein gehouden. Wat betreft beloningen wilden we indertijd allemaal wel geloven in die alignment theorie: zorg dat de bestuurders dezelfde belangen hebben als de aandeelhouders. Een vorm van groupthink natuurlijk, vinden we nu.”7
Vorenstaande betekent niet dat de versterkte positie van de algemene vergadering binnen het Nederlandse vennootschapsrecht zonder grond is. Het invoeren van een bindende say-on-pay in Nederland in 2004 steunde voor een belangrijk deel op een licht wantrouwen in de wil en/of kunde van commissarissen om op armlengte afstand met bestuurders te onderhandelen. In het verlengde daarvan speelt mee dat het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders geen toezichtstaak maar een bestuurstaak is die door de raad van commissarissen wordt uitgeoefend. Het houden van toezicht door een ander orgaan is in dit specifieke geval dan ook noodzakelijk om te zorgen voor de juiste ‘checks and balances’ binnen de vennootschap. Binnen die context valt een verzwaring van de macht van de AVA in het Nederlandse vennootschapsrecht te verklaren. Nederland neemt hiermee een positie in tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.
De say-on-payregelingen vinden dus hun ingang zowel in de meer aandeelhoudersgeoriënteerde landen als in landen waarbij de oriëntatie uitgaat naar de belangen van alle stakeholders. Dealniettemin zijn er verschillende rechtvaardigingsgronden voor invoering te onderscheiden. De drie meest in het oog springende rechtvaardingsgronden voor het invoeren van dergelijke regelingen zijn (i) het verkrijgen van steun van aandeelhouders voor de bezoldiging van bestuurders, (ii) het houden van toezicht door aandeelhouders op de bezoldiging van bestuurders en (iii) het uitgangspunt dat het vaststellen van de bezoldiging primair de taak van de aandeelhouders is. Deze laatste rechtvaardigingsgrond kan weer opgedeeld worden in enerzijds het belang dat aandeelhouders hebben om de totale bezoldiging van bestuurders te bepalen en anderszijds het belang van aandeelhouders om ervoor te zorgen dat de bezoldiging in lijn is met de belangen van de aandeelhouders.
Deze verschillende benaderingen worden ook met zoveel woorden onderkend in de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn.
“Het is dan ook van belang om rekening te houden met de diversiteit van de corporate governancesystemen binnen de Unie. Deze vormen immers een afspiegeling van de uiteenlopende opvattingen in de lidstaten over de rol van vennootschappen en van organen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het bezoldigingsbeleid en de bezoldiging van individuele bestuurders.”8
De herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn benadrukt dat het bezoldigingsbeleid voor vennootschappen een van de sleutelinstrumenten is om hun belangen in overeenstemming te brengen met die van hun bestuurders. Gezien de cruciale rol die bestuurders spelen in het succes van de vennootschap op de lange termijn, is het belangrijk dat het bezoldigingsbeleid op passende wijze wordt vastgesteld door de bevoegde vennootschapsorganen én dat de aandeelhouders de mogelijkheid hebben zich uit te spreken over het bezoldigingsbeleid van de vennootschap.9 In de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn wordt dus niet ingezet op een verdergaande machtsverschuiving dan dat de algemene vergadering zich over het bezoldigingsbeleid mag uitspreken. Benadrukt wordt juist dat de vorm en de structuur van de bezoldiging van bestuurders primair vallen onder de verantwoordelijkheid van de (i) vennootschap, (ii) haar directies, (iii) aandeelhouders en (iv) eventuele werknemersvertegenwoordigers.10 De reden om de algemene vergadering een stem te geven over het remuneratierapport is volgens de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn om te waarborgen dat het bezoldigingsbeleid wordt uitgevoerd overeenkomstig dat beleid.11 Ook de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn neemt derhalve als uitgangspunt het versterken van het toezicht door de algemene vergadering op de bezoldiging van bestuurders. Het verkrijgen van steun van aandeelhouders voor de bezoldiging is daarin impliciet meegenomen.