Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.5.6.c
4.5.6.c Eigen standpunt en het onderscheid tussen interne en externe aansprakelijkheid
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250262:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bartman 1989, p. 121.
Zie Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 848, waar Houwen ook een dergelijk onderscheid maakt, maar daar verder geen gevolgen aan verbindt.
Tervoort 2015, p. 98 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/54.
Tervoort 2015, p. 98 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/48.
Zie § 4.5.4.
Tervoort 2015, p. 7-8, Stokkermans 2017, p. 92, 282 en 300 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/13. Zie ook Huizink 2020, p. 3-6.
Zie art. 7A:1679 en art. 7A:1681 BW.
Tervoort 2015, p. 118. Zie specifiek met betrekking tot een maatschap Van der Waals 2017, p. 72, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/109-110, Stokkermans 2017, p. 96 en Huizink 2020, p. 27-28; ten aanzien van een vennootschap onder firma Assink/Slagter 2013/99.4 en Stokkermans 2017, p. 247; en met betrekking tot een commanditaire vennootschap Stokkermans 2017, p. 306.
De compensatie voor een crediteur bestaat uit twee onderdelen: een vordering op de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring en de mogelijkheid om de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij in te zien. Zie § 3.4.1.
Zie § 3.7.
Zie § 4.3.2.
Tervoort 2015, p. 51, Stokkermans 2017, p. 306-307, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/385 en Huizink 2020, p. 58-59.
HR 18 april 1980, NJ 1981/377, m.nt. Wachter (Sleephelling Maatschappij Scheveningen/Buis), Assink/Slagter 2013/99.4, HR 29 mei 2015, NJ 2015/380, m.nt. Van Schilfgaarde (Lunchroom De Katterug), r.o. 3.4.2, ook gepubliceerd in JOR 2015/192, m.nt. Stokkermans, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/379 en Stokkermans 2017, p. 308.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/383, Stokkermans 2017, p. 308 en Tervoort 2015, p. 145.
Tervoort 2015, p. 146.
Zie art. 6:198 BW.
Tervoort 2015, p. 129-133, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/113-114 en 137 en Blanco Fernández – T&C Ondernemingsrecht, art. 7A:1681 BW, aant. 2 en 3.
Zie art. 7A:1681 BW. Deze bepaling is zowel van toepassing op de vennoten in een maatschap als – op grond van de schakelbepalingen ex art. 1 jo. art. 15 WvK – op de vennoten in een vennootschap onder firma en de beherend vennoten in een commanditaire vennootschap.
Zie Stokkermans 2017, p. 121, die terecht opmerkt dat er bij baattrekking geen sprake is van vertegenwoordiging van de vennoten of een vorm van bekrachtiging.
Naar mijn mening is de uitkomst van het tweede hierboven genoemde standpunt juist, maar ik onderbouw dit anders dan Bartman en de andere daar genoemde auteurs. Bartman is van mening dat de overeenkomst tot samenwerking in de personenvennootschap de rechtshandeling is waaruit de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden voortvloeit.1 Volgens hem moet de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vervolgens zo worden uitgelegd dat de aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap die uit de wet voortvloeien, daar niet onder valt. Ik meen echter dat de vennootschapsovereenkomst niet de rechtshandeling is waaruit de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden voortvloeit.
Ik heb eerder opgemerkt dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen de interne aansprakelijkheid van een vennoot jegens de personenvennootschap en de externe aansprakelijkheid van een vennoot voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden.2 Ik meen dat als de 403-maatschappij een vennootschapsovereenkomst aangaat, daaruit slechts de interne aansprakelijkheid tegenover de personenvennootschap voortvloeit. Dit betreft bijvoorbeeld de verplichting van de 403-maatschappij tot het inbrengen van hetgeen waartoe zij krachtens de vennootschapsovereenkomst is gehouden,3 of het vergoeden van de schade die de personenvennootschap lijdt doordat de 403-maatschappij is tekortgeschoten in de nakoming van de vennootschapsovereenkomst.4 De externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden staat volgens mij los van de vennootschapsovereenkomst. Deze aansprakelijkheid vloeit mijns inziens niet voort uit het aangaan van de overeenkomst omdat dit schulden zijn van de 403-maatschappij tegenover een partij die niet betrokken was bij de vennootschapsovereenkomst.
Bovenstaande redenering is vergelijkbaar met het onderscheid dat ik heb gemaakt met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid van een 403-maatschappij als bestuurder van een andere rechtspersoon. Ook daarbij heb ik gewezen op het verschil tussen interne en externe aansprakelijkheid.5 Ik heb betoogd dat enkel de interne bestuurdersaansprakelijkheid tegenover de door de 403-maatschappij bestuurde rechtspersoon voortvloeit uit de rechtshandeling waarbij de 403-maatschappij het bestuurderschap heeft aanvaard. Deze aansprakelijkheid valt daarmee onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid. De externe bestuurdersaansprakelijkheid van de 403-maatschappij tegenover een derde valt naar mijn mening niet onder de 403-aansprakelijkheid, omdat dit schulden zijn tegenover een crediteur die geen partij was bij de rechtshandeling waarbij de 403-maatschappij het bestuurderschap heeft aanvaard.
Dat de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap tegenover derden niet voortvloeit uit de vennootschapsovereenkomst betekent overigens niet dat deze aansprakelijkheid in zijn geheel niet onder de 403-aansprakelijkheid valt. Als een van de vennoten een rechtshandeling verricht namens de personenvennootschap, bindt deze daarmee ook de andere vennoten waaronder de 403-maatschappij. Een dergelijke rechtshandeling geldt mijns inziens als een aparte rechtshandeling van de 403-maatschappij in de zin van art. 2:403 lid 1 sub f BW. De schulden van de 403-maatschappij die uit deze rechtshandeling voortvloeien, vallen daarom onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid. Schulden van de personenvennootschap uit de wet, vloeien daarentegen niet voort uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij en vallen daarom niet onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid. Ik licht dit hieronder toe.
Een personenvennootschap heeft geen rechtspersoonlijkheid.6 Dit brengt mee dat als er een rechtshandeling wordt verricht ‘namens de personenvennootschap’, het niet de vennootschap zelf is die deze handeling verricht en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen. In het geval van een maatschap verlenen de vennoten elkaar onderling een volmacht om namens de maatschap – zijnde de gezamenlijke vennoten – te handelen.7 En bij een vennootschap onder firma en een commanditaire vennootschap is iedere (beherend) vennoot die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd om namens de vennootschap te handelen en deze tegenover derden te binden.8 De vennoot vertegenwoordigt daarbij de gezamenlijke vennoten. Als een vennoot dus namens de personenvennootschap een rechtshandeling verricht, is iedere vennoot – waaronder ook de 403-maatschappij – zelf partij bij deze rechtshandeling.9 Dit brengt naar mijn mening met zich dat de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij als vennoot voor de schulden van de personenvennootschap jegens een derde niet voortvloeit uit de vennootschapsovereenkomst, maar uit de rechtshandeling die namens de personenvennootschap en dus namens de 403-maatschappij als vennoot, is verricht en waaruit de schulden zijn voortgevloeid.
Resumerend omvat de 403-aansprakelijkheid naar mijn mening dus de interne aansprakelijkheid van de 403-maatschappij jegens de personenvennootschap voor de schulden die voortvloeien uit de vennootschapsovereenkomst, en de externe aansprakelijkheid van de 403-maatschappij voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die namens de vennootschap zijn verricht. Deze uitleg van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring sluit aan bij de functie van de 403-aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren van de 403-maatschappij.10
De personenvennootschap bestaat uit de gezamenlijke vennoten. De overige vennoten hebben er belang bij dat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij kunnen inzien om (mede) aan de hand daarvan te kunnen schatten hoe groot het risico is dat de 403-maatschappij niet (volledig) aan haar verplichtingen uit de vennootschapsovereenkomst jegens de personenvennootschap zal voldoen. Hetzelfde geldt voor een crediteur van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling van de personenvennootschap. De vennoten, waaronder de 403-maatschappij, zijn naast de personenvennootschap aansprakelijk tegenover de crediteur voor de schulden die uit deze rechtshandeling voortvloeien. In tegenstelling tot een crediteur die direct een overeenkomst met de 403-maatschappij aangaat, kan een crediteur van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling van de personenvennootschap niet alleen de 403-maatschappij als vennoot aanspreken, maar ook de overige vennoten en de personenvennootschap. Desondanks is het voor de crediteur van belang om (mede) aan de hand van de jaarrekening van de 403-maatschappij te kunnen schatten hoe groot het risico is dat deze niet (volledig) aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen.
Zowel (de overige vennoten in) de personenvennootschap als de crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling van de personenvennootschap, moeten daarom volgens het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie worden gecompenseerd als de mogelijkheid ontbreekt om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien.11 Zij moeten zich tevens op de moedermaatschappij kunnen verhalen van wie zij de geconsolideerde jaarrekening wel kunnen inzien. Deze redenering gaat echter niet op voor de crediteuren van de personenvennootschap van wie de vordering voortvloeit uit de wet. Ik ben eerder in dit hoofdstuk tot de conclusie gekomen dat de crediteuren van wie de vordering uit de wet voortvloeit niet gecompenseerd hoeven te worden voor het feit dat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien.12
Ik maak nog twee afsluitende opmerkingen met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid en het onderscheid tussen interne en externe aansprakelijkheid van een vennoot in een personenvennootschap. Ten eerste wijs ik erop dat een commanditaire vennoot op grond van art. 20 lid 3 WvK slechts aansprakelijk is tot het bedrag van zijn inbreng. Dit betreft een interne verplichting tot het inbrengen van hetgeen waartoe hij krachtens de vennootschapsovereenkomst is verplicht.13 Indien een 403-maatschappij een commanditaire vennoot is, kan de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring dus enkel door (de overige vennoten in) de personenvennootschap worden aangesproken voor de nakoming van de verplichting tot inbreng. Derden kunnen geen beroep doen op de 403-aansprakelijkheid. Dit wordt mijns inziens niet anders als de commanditaire vennoot het naamvoerings- of beheersverbod ex art. 20 lid 1 en lid 2 WvK schendt en hij op grond van art. 21 WvK hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de personenvennootschap jegens derden. De aansprakelijkheid ex art. 21 WvK betreft namelijk een sanctie voor de commanditaire vennoot om te voorkomen dat hij op een in art. 20 WvK genoemde manier onduidelijkheid laat ontstaan over zijn rechtspositie in de commanditaire vennootschap.14 De positie van de commanditaire vennoot in de vennootschap verandert niet door het overtreden van het naamvoerings- of beheersverbod. Hij wordt geen beherend vennoot in de commanditaire vennootschap.15 Tervoort merkt op dat het feit dat de commanditaire vennoot geen beherend vennoot wordt, meebrengt dat hij voor de vorderingen die hij uit hoofde van zijn aansprakelijkheid op grond van art. 21 WvK voldoet, een regresvordering krijgt op de beherend vennoten.16 Mits de beherend vennoten niet failliet zijn of gaan, ondervindt de commanditaire vennoot dus geen financieel nadeel van de sanctie ex art. 21 WvK. Deze duiding van de aansprakelijkheid van een commanditaire vennoot op grond van art. 21 WvK brengt mee dat dit een wettelijke sanctie is en niet een schuld die voortvloeit uit een rechtshandeling in de zin van art. 2:403 lid 1 sub f BW. De aansprakelijkheid valt daarom niet onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid.
Ten tweede wijs ik op de mogelijkheid dat een vennoot onbevoegdelijk heeft gehandeld namens de personenvennootschap, maar dat de overige vennoten toch gebonden kunnen zijn. Een vennoot handelt onbevoegdelijk namens een maatschap als hij geen volmacht heeft of zijn volmacht te buiten gaat, en bij een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap als de (beherend) vennoot buiten zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid treedt – en de andere vennoten hem ook geen volmacht daartoe hadden gegeven. In beginsel bindt de desbetreffende vennoot dan enkel zichzelf en niet ook de overige vennoten. Tervoort, Van Olffen en Blanco Fernández wijzen er echter op dat de overige vennoten in een dergelijk geval toch gebonden kunnen zijn op grond van zaakwaarneming,17 als zij de rechtshandeling bekrachtigen,18 indien de wederpartij te goeder trouw is afgegaan op door de andere vennoten gewekte en aan hen toerekenbare schijn van volmacht19 of uit hoofde van baattrekking.20 Deze laatste grond houdt in dat de vennoten zijn gebonden aan een onbevoegdelijk namens de personenvennootschap verrichte rechtshandeling, als deze ten voordeel van de vennootschap strekt.21
Ik ben van mening dat enkel in het geval dat de 403-maatschappij als vennoot een rechtshandeling bekrachtigt die een andere vennoot onbevoegdelijk namens de personenvennootschap heeft verricht, de schulden die daaruit voortvloeien onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen. Slechts bij een bekrachtiging – die zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan plaatsvinden – is er sprake van een rechtshandeling van de 403-maatschappij. In de andere gevallen heeft de 403-maatschappij geen rechtshandeling verricht,22 en vloeit haar aansprakelijkheid voor de schulden van de personenvennootschap jegens de derde voort uit de desbetreffende wettelijke bepaling. De derde kan deze schulden van de 403-maatschappij dus niet op grond van de 403-verklaring verhalen op de moedermaatschappij.