Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.3.1:6.3.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep?
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.3.1
6.3.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep?
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180220:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een paar medewerkers van de IND vinden dat doordat er in het beleid verschillende groepen zijn aangewezen voor wie de bewijslast is verlaagd, het werk moeilijker is geworden. Niet zozeer omdat de beoordeling zelf voor deze medewerkers moeilijker is geworden, maar door de hoeveelheid uitzonderingsbeleid dat van kracht is:
R: Ja, het beleid is wat betreft ook, door de WBV’s, het landenbeleid, complexer geworden. Europese jurisprudentie en dergelijke heeft daar ook zo zijn invloed op gehad, op het beleid. Risicogroepen, minderheidsgroeperingen. Je moet dus nu gaan bekijken of iemand daartoe behoort. Terwijl het vroeger vooral was, die individuele asielzoeker die van alles heeft meegemaakt. Nu moet je van alles bij de gehoren betrekken. Landeninformatie moet je over horen. Algemene situatie in een land. Daar was 10 jaar geleden nauwelijks informatie over en nou moet je, ja zou je, meer informatie bij moeten betrekken. En wat dat betreft is het wel. En ja ook de tijdsdruk. Ook al had je voorheen de 48-uursprocedure. Maar de meeste mensen die, die werden wel naar een verlengde asielprocedure gestuurd. Ik weet niet meer hoe het toen heette, maar een vervolgprocedure. Toen had je dus veel meer de tijd. Volgens mij zes maanden. Maar nu wordt iedereen in de 8 daagse procedure gedaan…
I: Waarom is dat?
R: Dat is een keuze geweest. Dat is een. ..om mensen snel duidelijkheid te geven werd dan gezegd. Maar ik weet dat toen het geïntroduceerd werd, dat de directie toen aangegeven heeft dat het de bedoeling was om een zo hoog mogelijk percentage in de AA af te doen. Dat is volgens mij toen wel zo’n 80 procent. Voorheen het MOSA-criterium, als het verhaal als iets te ingewikkeld, nou wat complexe aspecten aan zat, dan was het niet de bedoeling om een verhaal in de 48-uursprocedure. Maar nu hoe complex een verhaal ook is, een Wit-Rus die een verhaal heeft van hier tot ginder, hij moet in de AA. Dat geeft een ontzettende tijdsdruk. Ik denk dat. Ja. Dus binnen een dag zal je alles goed op papier moeten krijgen.1
De hierboven geciteerde medewerker stelt dus duidelijk dat de toegenomen hoeveelheid beleid ervoor gezorgd heeft dat in de gehoren over steeds meer aspecten moet worden gehoord, terwijl de tijdsdruk groter is geworden. Opvallend is ook dat deze medewerker het werk nu moeilijker vindt, omdat er meer informatie beschikbaar is over de situatie in het land van herkomst, waardoor meer informatie moet worden betrokken in de beschikking.
Door de toegenomen hoeveelheid beleid is de ruimte voor individuele medewerkers om een inschatting te maken van het risico bij terugkeer kleiner geworden. De onderstaande medewerker vertelt me dat er steeds meer beleidsmatig wordt geregeld, wat voorheen aan de individuele medewerker werd toevertrouwd.
R: Ja, er was minder geregeld over hoe je tot je oordeel moest komen. Wij hebben nu veel meer beleidsmatige standpunten. Wat is een risicogroep? Wat is een kwetsbare minderheidsgroep? Welke groepen geven wij verhoogde aandacht? Daar hebben wij wel een waardeoordeel over. Het Europees beleid heeft daar natuurlijk ook aan bijgedragen. In het verleden was dat niet zo. Toen kregen we een verhaal en in zijn algemeenheid waren daar een paar beleidsregels voor en daar moest je je mee redden. Alleen de regelruimte is ook minder. Vroeger toen ik in het AC werkte, kon je afwijzen, maar inwilligen, nee dat kon niet. Je kon alleen maar afwijzen. Je ging alleen maar naar de OC-procedure als je dacht dat het een inwilliging werd. Dus voor dat grijze gebied moest je veel meer dingen zelf doen.
I: En nu is dat grijze gebied meer dichtgeregeld? Of er is minder grijs gebied?
R: Er is minder grijs gebied, maar dat komt ook doordat onze instroom eentoniger is. De hoofdmoot is uit landen waar we heel erg veel beleid over hebben. Voor Syrië en Eritrea hoef je zelf niet meer zoveel over na te denken. Dat wordt wel een inwilliging. 2
Enerzijds is de ruimte voor individuele medewerkers dus verkleind doordat de instroom volgens deze medewerker eentoniger is geworden. Anderzijds wordt het werk volgens hem steeds moeilijker doordat ze steeds meer met specifiek groepenbeleid moeten werken.
Toch heeft hij het gevoel dat hij steeds autonomer tot een beslissing kan komen ook al wordt er steeds meer beleidsmatig geregeld. Hij kan zelfstandig beslissen tot aanvullend onderzoek of doorgeleiding naar de VA en hij kan zelfstandig tot een inwilliging beslissen.
I: Wat vind je van die ontwikkeling?
R: Nou kijk, ten aanzien van Syrië en Eritrea is dat goed, ook als je het hebt over de eenduidigheid van de beslissing. Je kunt dat nooit helemaal ondervangen. Dat bestaat niet. Dat kan alleen voor een eentonige instroom.
I: Ik kan me voorstellen dat je soms zelf het gevoel hebt een bepaalde beslissing te willen nemen, maar dat het beleid een andere beslissing voorschrijft en dat je daar vroeger wel een mouw aan kon passen en dat het nu veel meer geregeld is?
R: Nou het verschil met vroeger is dat ik toen […] vrij weinig regelruimte en zelfstandigheid had. Ik had niet de autonomie om te beslissen iemand door te sturen naar de VA. Dat mocht niet. Ik kon ook niet zeggen ik willig in: dat mocht ook niet. En nu heb je veel meer smaken. Je kunt afwijzen, aanvullend onderzoek doen. Dus je kunt meer, maar de instroom is veel eentoniger.
I: […] Hoe zit het dan met de landen die niet vaak voorkomen. Vind je dat het beleid daarvoor teveel, genoeg, of te weinig houvast geeft?
R: Nou je moet ook niet gebombardeerd worden met beleid.
I: En dat is nu niet wat je ervaart?
R: Nee, alleen je ziet, en dat komt met name doordat er steeds meer Europees beleid komt, met de kwetsbare minderheidsgroepen en de risicogroepen. Er komt steeds meer bij.
I: Is het werk dan nu makkelijker of moeilijker dan 5 of 10 jaar geleden. Door die ontwikkeling?
R: Ja… Ik denk dat het makkelijker is geworden. We hebben nu een eenzijdigere instroom. Dat is heel makkelijk. Tien jaar of nog langer geleden, was er echt niet zoveel beleid. Toen was er niet zoveel informatie, je had toen nog weinig beleid en je moest gewoon aan de slag om te proberen om er iets van te maken.
I: Is het werk dan nu leuker of minder leuk?
R: Qua creativiteit minder leuk, want ik heb gewoon veel minder regelruimte om de een of andere manier, door het beleid. Dat is aan de ene kant jammer. Maar ik kan nu veel meer dingen oppakken in coaching en de begeleiding van medewerkers. Dus het verschuift een beetje. Op zich ben ik wel blij dat ik nu ook de mogelijkheid heb om een aanvraag in te willigen. Dat kon 10 jaar geleden echt niet. Dat is ook wel eens fijn, anders word je echt een afwijzingsfabriek. Dan gaat er ook iets in je hoofd zitten, van iedere aanvraag moet je afwijzen.3
Ook de hieronder geciteerde medewerker zegt dat door de toename aangewezen aandachtsgroepen het werk moeilijker is geworden, omdat met steeds meer zaken rekening moet worden gehouden tijdens het horen en beslissen. Daarnaast vermoedt hij dat asielzoekers hun relaas daarop afstemmen.
R: Om… Ja waarom weet ik eigenlijk niet. Kijk natuurlijk is het makkelijker om een Syrische aanvraag in te willigen dan een Chinese aanvraag af te wijzen. Op zich is het VV vrij helder. Als iemand uit China aangeeft dat hij uit China is vertrokken omdat hij daar geen werk kon vinden, dan ben je zo klaar. Maar als je te maken hebt met een land waar voor verschillende bevolkingsgroepen
bijzonder beleid is, waardoor de weging een iets lagere is dan gebruikelijk, dan wordt het moeilijker. Dan moet je steeds gaan schipperen.
I: Waarom wordt het dan moeilijker? Het lijkt mij dan juist makkelijker worden?
R: Omdat er dan veel meer elementen bij komen kijken. Stel dat ik een Palestijn ben uit Libië. Ik heb wat dingen meegemaakt, maar niets waarvan je nou zegt. Allemaal kleine dingen. Dan is het moeilijker om daar wat van te vinden omdat Palestijnen een risicogroep zijn. Omdat je weet dat die groep eigenlijk wel op verschillende manieren gediscrimineerd wordt, dus bij veel van zijn problemen moet je kijken of er een raakvlak met het VV inzit. Dat is veel meer een kluwen wol die je moet ontrafelen dan als een Chinees zegt dat hij geen werk kan vinden.
[…]
I: Zijn er nog mensen die kunnen kwalificeren voor bescherming die niet al in het beleid zijn opgenomen?
R: Die zullen er wel zijn, maar we hebben de laatste tijd voor heel veel landen wel bijzonder beleid. Waardoor je eigenlijk aan die vraag al bijna niet meer toekomt. Een Syriër heeft vrij snel een inwilliging te pakken, daar hoef je niet zo veel meer voor te doen. Het individuele relaas is dan eigenlijk niet meer zo van belang.
I: Ben je dan nu meer bezig met een soort groepsbenadering, in plaats van een individuele toets? Misschien is dit niet zo duidelijk.
R: Ik snap ongeveer wel wat je bedoelt hoor. Maar ik denk dat het inderdaad een wisselwerking is. De gemiddelde Syrische vreemdeling is niet gek, die weet best wat het beleid in Nederland is. Dus die weet heus wel dat hij een verblijfsvergunning krijgt, ook al heeft hij in zijn land van herkomst geen problemen ondervonden. Hij zal dus ook anders dat gehoor instappen, dan wanneer er geen speciaal beleid is. Dan zijn er misschien wel kleine voorvalletjes geweest die hij dan wel over het voetlicht wil brengen omdat ze dan wel van belang kunnen zijn. Vreemdelingen kennen het beleid en weten precies waaraan ze moeten voldoen om voor een inwilliging in aanmerking te komen. Sommige mensen maken misschien wel de afweging zich te beroepen op de algemene situatie, want dan weten ze dat ze een vergunning krijgen. Die zeggen misschien bewust wel niet dat ze tegen de president waren en misschien zelfs wel politiek actief. Dat voegt dan niets toe.4
Niet iedere medewerker is blij met deze toegenomen aandacht voor specifieke aandachtsgroepen, omdat het hen minder goed in staat stelt om in het individuele geval het risico bij terugkeer te bepalen. Beslissingen worden hierdoor minder consistent:
I: Als je iets aan de besluitvorming zou veranderen, wat zou je dan anders doen?
R: Nou weet je, het probleem blijft de politiek. Dat blijft zo. Dat je niet meer gewoon objectief een geloofwaardigheidsoordeel kunt geven. Omdat de politiek zich daar zo mee bemoeit. Dat frustreert me wel. Daardoor kun je niet meer zo consistent zijn met je beslissingen. Iemand met een ongeloofwaardig verhaal die toevallig tot een minderheidsgroep behoort die moet je inwilligen op niks, bij wijze van spreken en iemand die wel alles op orde heeft, alles netjes vertelt ook een rotleven heeft, maar net niet erg genoeg vervolgd wordt die moet je afwijzen. Dat maakt het wel eens lastig. Dus doordat de politiek groepenbeleid voorschrijft, daardoor onderscheid je groepen asielzoekers. Dat betekent dat je als je toevallig binnen die groep valt, alles kunt doen wat God verboden heeft, maar je heb wel zo een inwilliging. En als je daar niet binnen valt en je heb wel een geloofwaardig verhaal, maar dat is net niet zwaarwegend genoeg, maar je hebt wel een hartstikke rotleven, dan red je het niet. Dat is soms lastig.5