Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.5.5
3.3.5.5 Uitzonderingen op de verzekeringsplicht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398370:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor dit alles art. 5 lid 1 van de Richtlijn. Het woord ‘verzekeren’ dient hier vanzelfsprekend niet te worden verstaan als ‘een verzekeringsovereenkomst afsluiten’, maar als ‘waarborgen’.
Tot de 5e Richtlijn moesten de lidstaten de lijsten van vrijgestelde voertuigen als bedoeld in art. 4 onder a van de 1e Richtlijn aan zowel de Commissie als aan de lidstaten toezenden. De 5e Richtlijn leek de verplichting tot toezending aan de lidstaten voor deze voertuigen te schrappen (voor de voertuigen bedoeld in art. 5 lid 2 van de Richtlijn, zie hierna deze paragraaf onder b, bleef zij bestaan). Met de Richtlijn is de verplichting om de lijst van vrijgestelde natuurlijke of rechtspersonen niet alleen aan de Commissie maar ook aan de lidstaten toe te zenden, weer opgenomen. Kennelijk is het laten vervallen van deze verplichting in de 5e Richtlijn een vergissing geweest.
Zie voor Nederland art. 2 lid 7 Wam.
De Richtlijn spreekt in de volgende zin over het ‘vergoedingsorgaan’ (als bedoeld in art. 10 lid 1 van de Richtlijn) van de lidstaat waar het ongeval heeft plaatsgevonden en geeft dat een verhaalsrecht op het ‘vergoedingsorgaan’ in de zin van datzelfde art. 10, van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald. In de Nederlandse versie van de Richtlijn wordt gesproken over het ‘vergoedingsorgaan’, terwijl de Franse en de Engelse tekst spreken over organisme d’indemnisation, resp. compensation body. Het opschrift van art. 10 luidt in de Nederlandse versie van de Richtlijn ’schadevergoedingsorgaan’. Dat zou duiden op 4e Richtlijnorganen. Uit de context blijkt echter dat het ‘klassieke’ waarborgfonds is bedoeld. Een voorbeeld van de soms slordige formulering van de Richtlijn.
Deze financieringswijze is de gebruikelijke. In Frankrijk en Zwitserland is de waarborgfondsbijdrage formeel een belasting, die door de verzekeraars bij hun verzekerden wordt geïnd. Materieel maakt het geen verschil: alleen bezitters van verzekeringsplichtige motorrijtuigen financieren het waarborgfonds. Op het eerste gezicht gaat dit ook op voor de categorie van de Nederlandse gemoedsbezwaarden. Ook deze kunnen immers van de verzekeringsplicht worden vrijgesteld en de benadeelden van ongevallen veroorzaakt door vrijgestelde gemoedsbezwaarden kunnen zich tot hetWaarborgfonds Motorverkeer wenden. Bij nadere beschouwing is er echter een principieel verschil: de gemoedsbezwaarden betalen op grond van art. 20 Wam een bijdrage aan het Waarborgfonds Motorverkeer ter verkrijging van het vrijstellingsbewijs, waarmee zij aan de financiering ervan bijdragen.
Zie Richtlijn 2005/14/EG, Toelichting van de Commissie nr 1.4 onder d en overweging 8, doc. COM (2002) 244 definitief, 2002/0124 (COD).
Amendement 22 op het ontwerpverslag van de Commissie voor juridische zaken en interne markt.
Reeds de 1e Richtlijn opende de mogelijkheid voor de lidstaten om motorrijtuigen onder een aantal omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden van de verzekeringsplicht uit te zonderen. Deze mogelijkheid bestaat, in een iets gewijzigde vorm, in de Richtlijn nog steeds. Daarbij waarborgt de Richtlijn de bescherming van benadeelden. Deze uitzonderingen betreffen voertuigen die ofwel in het bezit zijn van (natuurlijke of rechts)personen die op andere wijze kunnen voorzien in vergoeding van de veroorzaakte schaden, dan wel verondersteld worden weinig risico mee te brengen.
a. Uitgezonderde personen
Ten eerste kunnen de lidstaten voertuigen van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen van de verzekeringsplicht uitzonderen. Maakt een lidstaat van deze mogelijkheid gebruik, dan bestaat deze verplichting ook niet als een dergelijk voertuig zich in een andere lidstaat bevindt. De lidstaat moet zodanige maatregelen nemen dat de schadevergoeding aan benadeelden van ongevallen die zijn veroorzaakt door dergelijke voertuigen, is ‘verzekerd’.1
Sinds de 5e Richtlijn geldt deze verplichting niet slechts als het voertuig zich in een andere lidstaat bevindt, maar ook in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk gestald is. De betrokken lidstaat dient daartoe in eigen land en in elk van de andere lidstaten een lichaam of instantie aan te wijzen die belast is met de afhandeling van de door die voertuigen veroorzaakte schaden. Als zodanig kan de in de andere lidstaten benoemde instantie het groenekaartbureau zijn, maar dat behoeft niet het geval te zijn. Voorts dient de betrokken lidstaat een lijst van de van de verzekeringsplicht uitgezonderde (natuurlijke en rechts)personen op te maken en toe te zenden aan de Commissie en – sinds de Richtlijn ook weer – aan de lidstaten.2 Ook de instanties of organen die met de schaderegeling zijn belast, dienen aan de Commissie te worden medegedeeld.
Bij deze uitzonderingsmogelijkheid moet voornamelijk worden gedacht aan motorrijtuigen van de staat die zijn risico’s niet pleegt te verzekeren (als schaderegelende instantie in de overige lidstaten zou dan bijvoorbeeld de officiële vertegenwoordiging van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald in het ongevalsland kunnen worden aangewezen).3Ook andere overheidslichamen of zelfs particulieren kunnen van de verzekeringsplicht worden vrijgesteld. Zie het voorbeeld van België dat openbaarvervoersbedrijven onder art. 5 lid 3 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht heeft vrijgesteld. Ook NAVO-voertuigen vallen in deze categorie.4 Voor de Nederlandse situatie kan ook worden gewezen op de voertuigen van personen die op grond van gemoedsbezwaren vrijstelling van de verzekeringsplicht hebben verkregen.
Zie voor de Nederlandse regeling verder paragrafen 3.4.4.3 en 4.5.4.5.
b. Uitgezonderde voertuigen
Een tweede mogelijkheid om motorrijtuigen van de algemene verzekeringsplicht uit te zonderen is te vinden in art. 5 lid 2 van de Richtlijn en betreft bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat. Het gaat hier om voertuigen die verondersteld worden weinig gevaar op te leveren. Ook hiervan dient de betrokken lidstaat een lijst op te stellen, die aan de Commissie en aan de andere lidstaten moet worden toegezonden.
Het gaat bij deze categorie om de meest uiteenlopende voertuigen, vaak nog onder bijzondere omstandigheden, variërend van land tot land, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt:
– voertuigen die op grond van hun constructie niet sneller kunnen rijden dan zes km/u (Duitsland);
– landbouwwerktuigen (Italië, Portugal en Zwitserland);
– gemotoriseerde fietsen en invalidenwagens die onder normale omstandigheden niet sneller gaan dan dertig km/u, voor zover de registratieplaat meer dan vijf maanden verlopen is (Zwitserland);
– fietsen met elektrische trapondersteuning (‘elobikes’) (Nederland).
De lidstaat die gebruik maakt van de mogelijkheid om bepaalde typen voertuigen en voertuigen met een speciale kentekenplaat van de verzekeringsplicht uit te zonderen, dient ervoor te zorgen dat de benadeelden van ongevallen, veroorzaakt door dergelijke voertuigen, in dezelfde positie verkeren als benadeelden van ongevallen die zijn veroorzaakt door voertuigen waarvoor niet is voldaan aan de verzekeringsplicht. Zonder dat dit expliciet wordt gezegd, blijkt uit het vervolg dat bedoeld is dat de benadeelde zich kan wenden tot het waarborgfonds.5
Op deze constructie kan wel enige kritiek worden geoefend.
De formulering van de Richtlijn duidt erop dat de opstellers vooral het oog hebben gehad op ongevallen in andere lidstaten dan die waar het van de verzekeringsplicht vrijgestelde motorrijtuig gewoonlijk is gestald. De regeling is echter niet tot dergelijke ongevallen beperkt. De bescherming strekt zich uit tot alle slachtoffers van deze (geoorloofd) niet-verzekerde voertuigen en niet alleen tot slachtoffers van in andere lidstaten veroorzaakte ongevallen. Het merkwaardige gevolg van de gekozen ‘oplossing’ is nu, dat het waarborgfonds in het land waar het van verzekeringsplicht vrijgestelde voertuig gewoonlijk is gestald, de schaden moet dragen die door deze niet onder de verzekeringsplicht vallende voertuigen wordt veroorzaakt. Dat is daarom merkwaardig, omdat waarborgfondsen zijn opgericht als vangnet in het kader van de verplichte verzekering en plegen te worden gefinancierd door de bijdragen van verzekeraars uit de premies die door hun verplicht verzekerden worden opgebracht.6,
Vanaf 11 juni 2010 moeten de lidstaten verslag uitbrengen over de uitvoering en de praktische toepassing van deze voorziening, waarna de Commissie zo nodig met voorstellen tot aanpassing of schrapping van deze uitzonderingsmogelijkheid op de verzekeringsplicht zal komen. Zie art. 5 lid 2, vierde en vijfde volzin van de Richtlijn.
Deze laatste bepaling, die uit de 5e Richtlijn stamt, is het resultaat van een compromis bij het tot stand komen van deze Richtlijn. De Commissie wilde de oorspronkelijk uit de 1e Richtlijn stammende bepaling schrappen7, maar stuitte op verzet in het Europese Parlement, dat, met het oog op de belangen van de landbouw- en de bouwsector, voor handhaving pleitte. Ook de merkwaardige oplossing om de waarborgfondsen te laten opdraaien voor de schade veroorzaakt door van de verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen, is het gevolg van dit compromis.8