Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.2.2.2
6.2.2.2 Relevantie van de eigendomsvraag
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411329:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 20 oktober 2005, nr. 03/02564, V-N 2006/42.1.2. In het arrest op het beroep in cassatie, HR 27 juni 2008, nr. 42 790, BNB 2008/232 gaat de HR aan de eigendomsvraag voorbij.
HR 1 april 2005, nr. 40 537, BNB 2005/227 (m.nt. Meussen). De in deze zaak bij het EHRM ingediende klacht is o.g.v. art. 34 en 35 EVRM niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het EHRM kennelijk ongegrond is.
Concl. A-G Van Ballegooijen in nr. 43 436, V-N 2007/27.11, onderdeel 5.7.
EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95 (M.A. e.a./Finland), FED 2003/604 (m.nt. Wattel). In vergelijkbare zin: EHRM 23 oktober 1997, nr. 21319/93 (National & Provincial Building Society/Verenigd Koninkrijk), RJ&D 1997-VII, par. 70 en EHRM 15 november 2005, nr. 36288/97 (Fryckman/Finland), www.echr.coe.int. Anders: EHRM 16 april 2002, nr. 36 677/97 (S.A. Dangeville/ Frankrijk), BNB 2003/40 (m.nt. Wattel) met betrekking tot een recht op restitutie van BTW.
EHRM 11 januari 2007, nr. 35533/04 (Mamidakis/Griekenland), FED 2007/63 (m.nt. Thomas).
Par. 44-45.
ECRM 14 december 1988, nr. 13013/87 (WASA/Zweden), D&R 58, p. 163 e.v.
EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05 (Burden/Verenigd Koninkrijk), V-N 2008/35.6, par. 59.
EHRM 23 oktober 1990, nr. 11581/85 (Darby/Zweden), BNB 1995/244 (m.nt. Feteris), par. 30.
Concl. A-G Overgaauw 14 juni 2007, nr. 43 258, V-N 2007/41.16, par. 4.1.4.
In de Nederlandse rechtspraak is de vraag of in een overgangssituatie sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM meermalen ontkennend beantwoord. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de verwachting dat de onder de Wet IB 1964 bestaande aftrek van financieringsrente ter zake van het bloot eigendom van een onroerende zaak ook na de invoering van de Wet IB 2001 zou blijven bestaan, geen eigendom oplevert in de zin van art. 1 EP EVRM.1 A-G Van Ballegooijen stelt dat uit HR 1 april 2005, nr. 40 5372 inzake de beperking van de landbouwvrijstelling zou kunnen worden afgeleid dat in geval van materieel terugwerkende kracht geen sprake kan zijn van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM.3 De Hoge Raad gaat in rechtsoverweging 3.2 van dit arrest echter niet in op de eigendomsvraag, doch beoordeelt slechts of de belastingplichtige mocht verwachten dat de oude regel ongewijzigd zou blijven voortbestaan.
Het EHRM slaat de eigendomsvraag in belastingzaken echter regelmatig over. Zo gaat het EHRM in de zaak M.A. e.a., die gaat over een aanpassing met terugwerkende kracht in de fiscale behandeling van opties, geheel voorbij aan de eigendomsvraag.4 Het EHRM begint gelijk met de beoordeling van welke vorm van inmenging sprake is. Dit terwijl de Finse overheid had gesteld dat de enkele verwachting dat een bepaald regime zal blijven bestaan niet leidt tot eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM. In de zaak Mamidakis oordeelde het EHRM dat art. 1 EP EVRM ook kan worden toegepast bij oplegging van een boete wegens overtreding van het douanerecht.5 Het EHRM achtte hierbij redengevend dat boeteoplegging valt onder de reguleringsregel, ten gevolge waarvan de financiële verplichtingen die daarmee samenhangen ook onder de bescherming van art. 1 EP EVRM vallen.6 Specifiek met betrekking tot belastingheffing besliste de ECRM in de zaak WASA dat de financiële verplichtingen die voortvloeien uit een fiscale maatregel vallen onder art. 1 EP EVRM.7 In de zaak Burden oordeelde het EHRM:8
‘Taxation is in principle an interference with the right guaranteed by the first paragraph of Article 1 of Protocol No. 1, since it deprives the person concerned of a possession, namely the amount of money which must be paid.’
Reeds eerder had het EHRM in de zaak Darby in meer algemene zin beslist dat de verplichting tot belasting betalen valt binnen de reikwijdte van art. 1 EP EVRM.9 A-G Overgaauw neemt in een conclusie aangaande het overgangsrecht voor verliesverrekening bij de invoering van de Wet IB 2001 deze opvatting over.10 Hij concludeert naar mijn mening terecht dat de eigendomsvraag in het midden kan worden gelaten, onder meer omdat belastingheffing altijd onder het bereik van art. 1 EP EVRM valt.