Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.5.5
6.8.5.5 Ruimte voor nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur en fundamentele rechten?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396055:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.82.
Zie bijvoorbeeld CBb 14 oktober 2011, LJN BU4524, r.o. 2.7; CBb 11 maart 2011, LJN BP7671, r.o. 5.1; CBb 25 juni 2010, LJN BN0326; CBb 28 april 2010, LJN BM3407, r.o. 2.4.6; CBb 25 februari 2009, LJN BH4694, r.o. 5.4; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.4; CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa), r.o. 5.4; CBb 25 april 2007, LJN BA6299, r.o. 2.6; CBb 23 april 2007, AB 2007, 247, m.nt. A.P.W. Duijkersloot en R. Ortlep, r.o. 5.7. Zie hieromtrent ook R. Ortlep 2011, p. 342; De Vos 2011, p. 311 e.v.
HvJEG 15 december 1982, 5/82, Jur. 1982, 4601, r.o. 22.
HvJEG 16 november 1983, 188/82, Jur. 3721, r.o. 11.
HvJEG 26 april 1988, 31/68, Jur. 2213, r.o. 23 en 24.
CBb 17 mei 2006, AB 2006, 313, m.nt. A.P.W. Duijkersloot. Appellante had zich beroepen op de uitspraak van 22 oktober 2003, LJN AN9037, maar het CBb overweegt terecht dat de toepasselijke verordening in die zaak, Verordening nr. 3665/87, ten tijde van belang nog geen bepaling inzake terugvordering bevatte, zodat het CBb die zaak moest beoordelen met toepassing van het nationale recht, met inbegrip van de nationale uitleg van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
CBb 20 september 2007, AB 2007, 361, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.3; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.4. Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 249. Zie echter wel CBb 9 mei 2012, LJN BW6496 waaruit blijkt dat in bijzondere omstandigheden wel ruimte bestaat voor toetsing aan het nationaal vertrouwensbeginsel. In deze zaak werd een landbouwer geconfronteerd met twee kort na elkaar gelegen controles waarbij onregelmatigheden werden geconstateerd. Door eerst geruime tijd na beide controles een sanctiebesluit te nemen, heeft de minister volgens het CBb de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat daarmee een sanctie werd opgelegd naar aanleiding van de bij beide controles geconstateerde feiten. De landbouwer hoefde volgens het CBb er geen rekening mee te houden dat nadien nog een verhoogde sanctie zou worden opgelegd ter zake van diezelfde feiten. Het tweede sanctiebesluit komt daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zie echter ook CBb 25 mei 2012, LJN BW6988 waarin een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt ondanks het feit dat na het constateren van een onregelmatigheid subsidie werd uitgekeerd en meer dan drie jaar later alsnog de sanctie tot uitsluiting werd opgelegd.
Zie bijvoorbeeld CBb 24 juni 2005, LJN AT8929. Zie ook Ortlep 2011, p. 392. Zie ook paragraaf 6.8.5.1.
Zie bijvoorbeeld CBb 25 september 2009, LJN BJ9541; CBb 17 december 2008, LJN13G8415.
Zie bijvoorbeeld CBb 14 november 2007, LJN BB8852; CBb 20 september 2007, LJN B134251.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.7.4.
Zie bijvoorbeeld artikel 14, vierde lid, van de Verordening nr. 3887/92.
Zie CBb 20 september 2007, AB 2007, 361, m.nt. R. Ortlep. Zie hieromtrent ook Ortlep 2011, p. 390-391. De Vos 2011, p. 311 e.v.
Zie ook punt 3 van de noot van Ortlep bij CBb 20 september 2007, AB 2007, 361, m.nt. R. Ortlep.
Zie de noot van Ortlep bij CBb 20 september 2007, AB 2007, 361.
Zie HvJEG 28 april 1988, 120/86 (Mulder), Jur. 1988, p. 2321, r.o. 21 e.v.
Ortlep verwijst naar HvJEG 17 juli 1997, C-97/95 (Pascoal), Jur. 1997, p. 1-4209, HvJEG 14 mei 1996, gevoegde zaken C-153/94 en C-204/94 (Faroe Seafood), Jur. 1996, p. 1-2465.
Zie de noot van Ortlep bij CBb 20 september 2007, AB 2007, 361, m.nt. R. Ortlep.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.6.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 mei 1996, AB 1997, 93. Zie hieromtrent De Waard 2009; Polak & Den Ouden 2004, p. 95-96.
Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 150; Polak & Den Ouden 2004, p. 96.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juni 1996, JB 1996/172, m.nt. E. v.d. Linden, Rawb 1996, 110, m.nt. BdeW; ABRvS 26 mei 2010, JB 2010/75. Zie ook De Waard 2010, p. 471, Barkhuysen & Van Emmerik 2009, p. 115; Polak & Den Ouden 2004, p. 96.
CBb 24 februari 2011, LJN BP6015, r.o. 5.4; CBb 2 juli 2010, LJN BN0926, r.o. 5.4; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.7. Zie ook CBb 28 april 2010, LJN BM3407, r.o. 2.4.3; CBb 28 april 2010, LJN BM3397, r.o. 2.4.4; CBb 24 maart 2010, LJN BM2707, r.o. 2.4.5; CBb 24 maart 2010, LJN BM2742, r.o. 5.5; CBb 16 juli 2009, LJN BJ3139, r.o. 5.7.
Zie ook de noot van Ortlep bij CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153.
CBb 28 april 2010, LJN BM3407, r.o. 2.4.6; CBb 25 februari 2009, LJN BH4694, r.o. 5.4; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.4.
CBb 25 mei 2011, LJN BQ6654; CBb 28 juli 2010, LJN BN4897, r.o. 2.4.7; CBb 3 mei 2010, LJN BM3419. In de uitspraak van 28 juli 2010 toetst het CBb alvorens op het Europees evenredigheidsbeginsel in te gaan eerst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
CBb 3 mei 2010, LJN BM3419, r.o. 2.2.
HvJEG 24 mei 2007, C-45/05 (Schonewille-Prins), Jur. 2007, p. 1-3997.
CBb 3 mei 2010, LJN BM3419.
Zie bijvoorbeeld CBb 14 oktober 2011, LJN BU4529; CBb 24 februari 2011, LJN BP6015, r.o. 5.4.
CBb 29 april 2011, LJN BQ3451; CBb 28 mei 2010, LJN BM8580; CBb 19 maart 2008, LJN BC8201. In sommige gevallen overweegt het CBb in dat kader dat het gedifferentieerde sanctiestelsel mede gelet op het arrest National Farmers' Union (HvJEG 17 juli 1997, C-354/ 95, Jur. 1997, p. 1-4559) niet strijdig kan worden geacht met het evenredigheidsbeginsel. Dit duidt erop dat sprake is van toetsing aan de Europese uitleg van het evenredigheidsbeginsel.
Zie Barkhuysen & Van Emmerik 2009, p. 115.
Vergelijk Barkhuysen & Van Emmerik 2009, p. 115-116; Michiels & De Waard 2007, p. 96-98; Adriaanse, Barkhuysen & Van Emmerik 2006B, p. 148 e.v. Zie bijvoorbeeld CBb 5 april 2005, AB 2005, 81, m.nt. O.J.D.M.L. Jansen.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.10 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.11.
CBb 22 oktober 2003, LJN AN9044, r.o. 5.5.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.10.
Zie hieromtrent punt 5 van de noot van T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik bij EHRM 9 november 2010, AB 2012, 21 (Demirbas e.a.).
Vertrouwensbeginsel
Bij directe toepassing van Europese sancties en maatregelen bestaat op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen ruimte voor een nationale uitleg van het vertrouwensbeginsel.1 Het CBb heeft dan ook meer dan eens overwogen dat een beroep op de Europese uitleg van het vertrouwensbeginsel niet kan slagen, omdat een contra legem-toepassing van rechtsbeginselen door het Hof van Justitie niet toelaatbaar wordt geacht.2 Daarbij wordt verwezen naar de arresten Maizena,3 Thyssen4 en Kröcicen.5In een uitspraak van 17 mei 2006 zet het CBb duidelijk uiteen dat indien sprake is van een direct toepasbare sanctiebepaling, geen ruimte bestaat voor toepassing van de nationale uitleg van het vertrouwensbeginsel.6 Omdat het gaat om een geheel door het Europese recht gereguleerde (terugvorderings)verplichting, kunnen slechts in het Europese recht redenen worden gevonden om op deze verplichting inbreuk te maken.7 Dat geen ruimte bestaat voor toepassing van het nationaal vertrouwensbeginsel, betekent evenzeer dat geen ruimte bestaat voor toepassing van artikelen waaraan dit beginsel ten grondslag ligt, zoals artikel 4:49 van de Awb. Als gezegd heeft het CBb meermalen overwogen dat artikel 4:49 van de Awb de omvang van de verplichting tot terugvordering niet kan beperken.8
In sommige uitspraken gaat het CBb — ondanks het feit dat het vertrouwensbeginsel Europees moet worden uitgelegd — wel inhoudelijk in op de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. In sommige uitspraken volstaat het CBb bijvoorbeeld met de overweging dat van enige toezegging van de kant van de minister van LNV niet is gebleken.9 Dit heeft tot gevolg dat een eindontvanger van een Europese subsidie een inhoudelijk oordeel verkrijgt.10 Bedacht moet worden dat ook bij toetsing aan het Europees vertrouwensbeginsel een rol speelt in hoeverre sprake is van een toezegging van het bestuursorgaan.11 Indien een beroep op het vertrouwensbeginsel op deze grond kan worden afgewezen, is dat derhalve overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
In veel Europese ELGF-verordeningen is een uitzondering opgenomen op de verplichting tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.12 Het CBb heeft uit de considerans bij de Commissieverordening nr. 3887/92 afgeleid dat deze uitzondering zo moet worden uitgelegd, dat in andere gevallen dan in dit artikel aangeduid, geen beroep op het nationale of Europese vertrouwensbeginsel kan worden gedaan.13 In deze considerans werd aangegeven dat 'om te garanderen dat het beginsel van het gewettigde vertrouwen bij terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen overal in de Gemeenschap op dezelfde wijze wordt toegepast, moet worden bepaald onder welke voorwaarden op dit beginsel een beroep kan worden gedaan'. Het CBb lijkt aan te nemen dat sprake is van een gecodificeerd Europees vertrouwensbeginsel.14 Dat geen beroep op de nationale uitleg van het vertrouwensbeginsel kon worden gedaan, heeft het CBb al vaker overwogen. Dat er ook geen beroep kan worden gedaan op het ongeschreven Europese vertrouwensbeginsel is nieuw. Ortlep meent dat de uitspraak van het CBb enige nuancering behoeft,15 nu uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het ongeschreven Europees vertrouwensbeginsel als zijnde primair Eu-recht, boven secundair Eu-recht kan gaan.16 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt wel dat een dergelijk beroep weinig kans van slagen heeft.17 De overweging van het CBb dat geen ruimte bestaat voor toetsing aan het ongeschreven Europees vertrouwensbeginsel lijkt dan ook te kort door de bocht. Ortlep merkt terecht op dat wanneer het CBb de verordening, waarin het Europese vertrouwensbeginsel als het ware is gecodificeerd, niet in overeenstemming acht met het ongeschreven Europese vertrouwensbeginsel, hij niet zelf de verordening buiten toepassing kan laten maar hij ter zake een prejudiciële geldigheidsvraag aan het Hof van Justitie moet voorleggen.18 Dit geldt uiteraard ook voor andere nationale rechters.
Evenredigheid
In procedures voor het CBb komt verder regelmatig de vraag aan de orde in hoeverre het gemeenschappelijk stelsel van administratieve sancties en maatregelen dat op grond van de Europese landbouwsubsidieverordeningen moet worden toegepast, zich verdraagt met het evenredigheidsbeginsel. In de eerste plaats rijst de vraag in hoeverre aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst, nu in de Europese landbouwsubsidieverordeningen een wettelijk gefixeerd sanctiestelsel is neergelegd. Ten tweede komt de vraag op in hoeverre het CBb de Europese uitleg van het evenredigheidsbeginsel dient toe te passen, dan wel het evenredigheidsbeginsel neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb kan hanteren.
In hoofdstuk 3 is besproken dat een Europese uitleg van het evenredigheidsbeginsel een drie-fasentoets inhoudt aan noodzakelijkheid, geschiktheid en evenredigheid in strikte zin.19Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb ziet slechts op de evenredigheid in strikte zin; er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit en de met het besluit te dienen doelen. Bovendien volgt uit de jurisprudentie van de Nederlandse bestuursrechters dat de belangenafweging slechts zeer terughoudend door de bestuursrechter mag worden getoetst. De bestuursrechter kan slechts tot vernietiging van een besluit overgaan wanneer hij tot het oordeel komt dat de belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.20 In de gelijkschakeling van het evenredigheidsbeginsel met deze zogenoemde willekeurtoetsing, schuilt het gevaar dat in zaken met Europeesrechtelijke aspecten de drie-fasentoets aan het evenredigheidsbeginsel zoals het Hof van Justitie deze verricht niet tot zijn recht komt.21 De Nederlandse bestuursrechter toetst wel vol aan het evenredigheidsbeginsel indien het gaat om punitieve sancties,22 maar als gezegd gaat het CBb ervan uit dat de administratieve sancties en maatregelen die in het kader van de Europese landbouwsubsidies moeten worden opgelegd op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet als punitief kunnen worden aangemerkt.
De jurisprudentie van het CBb laat een wisselend beeld zien. Het CBb heeft meermalen overwogen dat de belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Awb wordt beperkt, voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Nu de minister op grond van de toepasselijke Europese verordening was gehouden de aanvraag af te wijzen dan wel de ontvanger volledig van steun uit te sluiten, is voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geen plaats.23 Het CBb is derhalve van oordeel dat een Europese verordening gelijk kan worden gesteld met een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.24 Uit deze jurisprudentie blijkt dat het CBb ondanks het feit dat het gaat om directe toepassing van het Europese recht, ruimte ziet voor toetsing aan artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, zij het dat de daarin neergelegde belangenafweging niet kan plaatsvinden. In dat geval lijkt het logischer indien het CBb zou aan sluiten bij de Europese uitleg van het evenredigheidsbeginsel. Beroepen op het vertrouwensbeginsel worden door het CBb immers wel beoordeeld als ware sprake van directe toepassing van het Europese recht.25 Doordat het CBb de Awb voorop stelt, en vervolgens overweegt dat deze wet door een Europese verordening kan worden beperkt, legt het College daarmee de nadruk op de geïntegreerde rechtsorde: zowel het Europese recht als het nationale recht is van belang.
In andere uitspraken gaat het CBb wel in op het Europese evenredigheidsbeginsel.26 In deze gevallen had de landbouwer hierop uitdrukkelijk een beroep gedaan.27 Het CBb beoordeelt in een uitspraak van 3 mei 2010 bijvoorbeeld aan de hand van het arrest Schonewille-Prins28 of artikel 21, eerste lid, laatste volzin, van de Commissieverordening nr. 796/2004 onevenredig is.29 Het CBb concludeert dat niet kan worden gezegd dat het hanteren van een uiterste termijn voor het wijzigen van een ingediende aanvraag kennelijk ongeschikt is om het door de Europese Commissie nagestreefde doel (de lidstaten de gelegenheid bieden doeltreffende controles uit te voeren) te verwezenlijken. Het gaat hier om een abstracte toets aan het evenredigheidsbeginsel, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
Uit het voorgaande volgt dat het CBb alleen aan het Europese evenredigheidsbeginsel lijkt te toetsen indien daarop een uitdrukkelijk beroep wordt gedaan. Indien een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel in het algemeen, laat de jurisprudentie een wisselend beeld zien. In sommige uitspraken toetst het CBb gewoon aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.30
In andere uitspraken verricht het CBb een abstracte toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, daarbij in het midden latend in hoeverre aan het Europees evenredigheidsbeginsel dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wordt getoetst.31 De verschillen kunnen lastig worden verklaard.
Uit het voorgaande blijkt dat het CBb alleen een abstracte evenredigheidstoets verricht ten aanzien van de opgelegde sancties. Het College toetst niet in hoeverre de opgelegde sanctie zich in het concrete geval verdraagt met het evenredigheidsbeginsel. Dit past bij het uitgangspunt dat de rechter bij wettelijk gefixeerde sanctiestelsels dient uit te gaan van de afweging die door de wetgever heeft plaatsgevonden.32 Voor zover de sancties en maatregelen als punitief zouden moeten worden aangemerkt, bestaat blijkens de Nederlandse jurisprudentie ruimte om in zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden van de wettelijk vastgestelde sanctie af te wijken.33 In de vorige paragraaf is echter besproken dat het CBb op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie terecht oordeelt dat de Europese administratieve sancties niet kwalificeren als punitieve sancties. Hoewel op deze jurisprudentie kritiek mogelijk is,34 is dit thans wel staande jurisprudentie.
Het EVRM
In de vorige paragraaf is reeds ingegaan op de betekenis van artikel 6 EVRM voor de oplegging van administratieve maatregelen. In de hoofdstukken 3 en 5 is besproken dat meer EVRM-artikelen relevant zijn in het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving, zoals artikel 1, eerste protocol.35 Het CBb heeft in het kader van de terugvordering van exportrestituties overwogen dat indien het terugvorderen van een onverschuldigd betaalde restitutie á kan worden aangemerkt als het beperken van eigendom, de Europese voorschriften ter zake alsmede het doel hiervan — kortweg: het tegengaan van financiële benadeling van de Gemeenschap — de conclusie rechtvaardigt dat deze beperking geschiedt in het algemeen belang.36
Voor zover Europese landbouwsubsidies worden toegekend aan nationale overheden, geldt bovendien de in hoofdstuk 3 besproken jurisprudentie dat overheden geen bescherming kunnen ontlenen aan het EVRM.37 Nu de meeste EvRm-rechten, waaronder het recht op eigendom, eveneens zijn te vinden in het Handvest van de Grondrechten zal dit in de praktijk geen problemen opleveren. Het Handvest van de Grondrechten biedt immers wel bescherming aan overheden.38