Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.2:9.2 Begrippen: horen, verhoren en ondervragen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.2
9.2 Begrippen: horen, verhoren en ondervragen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gaat om het bieden van gelegenheid tot afleggen van een verklaring en het stellen van vragen aan getuigen en verdachten, dan komt men in het Wetboek van Strafvordering verschillende begrippen tegen. De wet spreekt in dit verband zowel van het horen en verhoren van getuigen als van het ondervragen van getuigen. Hoewel wordt aangenomen dat er wel enige inhoudelijke onderscheiding aan deze begrippen ten grondslag ligt, worden zij in de wet niet consequent gehanteerd. In de literatuur wordt door Remmelink wel een onderscheid gemaakt tussen het ‘verhoor’ en het ‘gehoor’. Bij verhoren gaat het in zijn optiek om een inhoudelijke ondervraging ten behoeve van de feitenvaststelling en de bewijsvoering. De ondervragende ambtenaar heeft daarbij een actieve rol en functioneert als onderzoeker. De term horen (of gehoor) wordt door Remmelink gereserveerd voor die gevallen waarin het standpunt van de verdachte wordt vernomen aangaande een beslissing zijn persoon betreffend, bijvoorbeeld in het kader van de inzet van een dwangmiddel. Het gehoor is in die betekenis niet primair gericht op het verkrijgen van een voor het bewijs bruikbare verklaring, maar op het uitoefenen van de verdedigingsrechten van de verdachte.1 Wanneer het gaat om het nemen van processuele beslissingen omtrent de persoon van de verdachte of getuige, dan wordt in de wet inderdaad gesproken van ‘horen’ in plaats van ‘verhoren’. Het aantal momenten waarop een getuige wordt ‘gehoord’ aangaande een beslissing omtrent zijn persoon, is echter beperkt. Gevallen waaraan dan moet worden gedacht zijn het toekennen van de status van bedreigde getuige door de rechter-commissaris (art. 226a lid 2 Sv) of het beslissen om een getuige al dan niet te gijzelen (art. 294 lid 2 Sv). Bovendien wordt de term horen op sommige plaatsen ook gebruikt ten aanzien van het afleggen van een verklaring omtrent de feiten (zie bijvoorbeeld art. 287 lid 2 of art. 289 lid 1 Sv).
Bij de totstandkoming van de wetswijziging inzake de herziening onderzoek ter terechtzitting in 1995 is het punt van de terminologie nog nadrukkelijk aan de orde gekomen, toegespitst op het onderscheid tussen horen en ondervragen. Volgens de memorie van toelichting bij deze wetswijziging zou de wetgever van 1926 hebben beoogd dat verdachten worden ondervraagd en getuigen worden gehoord. Bij het ondervragen zou het gaan om het actief stellen van vragen aan de getuige, terwijl het bij het horen (uitsluitend) zou gaan om het bieden van een gelegenheid tot het afleggen van een verklaring. Er wordt in de toelichting echter geheel voorbijgegaan aan het begrip verhoren, dat reeds in 1926 werd gebruikt in relatie tot het ondervragen van getuigen door de rechter-commissaris (zie bijvoorbeeld art. 210 Sv). Bij de herziening van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wetgever in Boek II, titel VI, tweede afdeling de term horen voor getuigen als uitgangpunt genomen, tenzij het zou gaan om het stellen van vragen door de rechter met het oog op diens verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het onderzoek en de uitoefening van het ondervragingsrecht door de verdachte (art. 292 lid 1 en lid 3 Sv), want dan wordt het begrip ondervragen gebruikt.2 Veel duidelijker is het er evenwel niet op geworden. Er is naar mijn mening geen prangende reden om deze begrippen van elkaar te onderscheiden. Om deze reden worden de termen horen, verhoren en ondervragen ten aanzien van het stellen van vragen aan getuigen in dit hoofdstuk niet van elkaar onderscheiden.