Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.3.3.3
2.3.3.3 Samenloop met art. 3:13 BW
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254169:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1049 (MvT). Zie ook Valk, WPNR 1992/6067, p. 781: “Welk criterium men op welke rechtsverhouding toepast, is uitsluitend historisch bepaald, zonder dat er principiële verschillen aan ten grondslag liggen.” en p. 782: “De werkelijkheid is te veelkleurig voor een ruw onderscheid in twee groepen rechtsverhoudingen.”
Zie par. 2.2.3.3.
Zie par. 2.2.3.3.
Zie par. 2.3.6.
124. De redelijkheid en billijkheid houdt nauw verband met het leerstuk van misbruik van bevoegdheid, neergelegd in art. 3:13 BW. Tussen de twee leerstukken bestaat geen scherp onderscheid.1 Tussen toepassing van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid bestaat geen materieel verschil.2 Via de redelijkheid en billijkheid kan een bepaald beding buiten toepassing blijven, via misbruik van bevoegdheid kan een bepaalde uitoefening ontoelaatbaar zijn. Via de redelijkheid en billijkheid kan een verplichting bestaan mee te werken aan een wijziging, via misbruik van bevoegdheid kan een verplichting bestaan mee te werken aan een wijziging. Via de redelijkheid en billijkheid kan een bepaalde eis in een andere rechtsgrond buiten toepassing blijven, via misbruik van bevoegdheid kan de invulling van een bepaalde eis ontoelaatbaar zijn. In het kader van art. 5:78 aanhef en sub b BW betekent dit dat een wijziging van een beperkt recht wegens strijd met het algemeen belang, ook via art. 3:13 BW kan plaatsvinden op de hiervoor genoemde wijzen.
125. Daar komt bij dat via het leerstuk misbruik van bevoegdheid ook verweer kan worden gevoerd tegen een wijziging.3 De eigenaar van het heersende erf kan bijvoorbeeld aanvoeren dat de eigenaar van het dienende erf in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid tot het vorderen van wijziging van de erfdienstbaarheid via art. 5:78 aanhef en sub b BW kan komen, vanwege de onevenredigheid bij uitoefening van die bevoegdheid en het belang van de eigenaar van het heersende erf dat daardoor wordt geschaad. Art. 3:13 BW hoeft hier echter niet te worden gebruikt als grondslag voor het verweer, omdat in de maatstaf van het algemeen belang van art. 5:78 aanhef en sub b BW de belangen van de eigenaar van het heersende erf al zit ingebakken.4