RvdW 2024/202:Weigering bloedonderzoek, art. 163 lid 6 WVW 1994. Heeft verdachte geweigerd gevolg te geven aan bevel bloedonderzoek en daaraan medewerking te verlenen, nu hij na aanvankelijke weigering zich alsnog bereid heeft verklaard zijn bloed af te geven? Opvatting dat geen sprake kan zijn van weigering te voldoen aan verplichting om ‘aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen’ aan bloedonderzoek, als verdachte na aanvankelijke weigering zich alsnog bereid verklaart zijn medewerking te verlenen, vindt geen steun in het recht (vgl. NJ 1985/823). Na (herhaaldelijk gegeven) bevel van hulpofficier aan verdachte om zich te onderwerpen aan bloedonderzoek, heeft verdachte meerdere keren herhaald dat hij geen bloed wilde afgeven en heeft hulpofficier drie of vier keer aan verdachte uitgelegd waarom bloed afgenomen moest worden. Daarna heeft hulpofficier om ‘een ja of nee voor de medewerking’ gevraagd, waarop verdachte met duidelijke stem heeft gezegd dat hij niet wilde meewerken. Vervolgens heeft hulpofficier verdachte medegedeeld dat hij werd verdacht van weigering van bloedproef, hij vanaf dat moment rijverbod had van 24 uur en zijn rijbewijs was ingevorderd. Daarna heeft verdachte gezegd dat hij toch wel zijn bloed wilde afgeven. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat verdachte, nadat bevel door hulpofficier was gegeven, niet heeft voldaan aan verplichting om ‘aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen’ aan het bloedonderzoek. Daarbij heeft hof geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat verdachte zich uiteindelijk alsnog bereid heeft verklaard bloed af te geven, omdat die bereidverklaring ‘na meerdere bevelen tot medewerking en nadat is aangegeven dat zijn rijbewijs is ingevorderd (...) te laat’ is gedaan. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is in licht van vaststellingen niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.