Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.3.5:5.8.9.3.5 Een 403-vordering strekt tot het innen van een vordering of het verhalen daarvan
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.3.5
5.8.9.3.5 Een 403-vordering strekt tot het innen van een vordering of het verhalen daarvan
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648681:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gezien de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, lijkt de kwalificatie van een recht dat een oorspronkelijk schuldeiser een bevoegdheid geeft om zijn vordering te innen of verhaal te halen niet van doorslaggevend belang te zijn bij de beantwoording van de vraag of die bevoegdheid door een pandhouder kan worden uitgeoefend. Het feit dat een 403-vordering als een niet-afhankelijk recht maar als een zelfstandig recht kwalificeert, vormt vanuit die optiek geen beletsel voor een pandhouder om de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft afgegeven op basis van die verklaring aan te spreken. Dit kan de pandhouder vervolgens doen via de band van de oorspronkelijke schuldeiser. Wanneer een pandhouder zijn bevoegdheid ontleent aan de bevoegdheid die de oorspronkelijke schuldeiser toekwam op basis van een 403-verklaring, is het niet nodig dat een pandhouder zelfstandig een beroep kan doen op een 403-verklaring. De mogelijkheid om de 403-vordering van de oorspronkelijke schuldeiser te kunnen inroepen, zou in lijn met de hiervoor geschetste recente ontwikkelingen in de jurisprudentie voort kunnen vloeien uit het recht van een pandhouder om een vordering te innen en te verhalen op basis van artikel 3:246 lid 1 BW.
Als wordt geconcludeerd dat een pandhouder bevoegd is om de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft afgegeven op basis van die verklaring aan te spreken, is het nog de vraag of de pandhouder ook de mogelijkheid heeft om in verzet te komen wanneer het voornemen tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid wordt gepubliceerd. Hierbij is van belang of de pandhouder rechtstreeks een beroep kan doen op de 403-verklaring, en dus zelf een schuldeiser wordt van de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft afgegeven of dat een pandhouder een afgeleide bevoegdheid heeft. Is de bevoegdheid afgeleid van de 403-vordering die de oorspronkelijke schuldeiser heeft, dan zal een ruime interpretatie van het begrip ‘schuldeiser’ (zoals bedoeld in artikel 2:404 lid 5 BW) nodig zijn om de pandhouder de bevoegdheid te geven om in verzet te komen. Een andere constructie zou zijn dat de pandhouder niet zelf via de 403-vordering van de oorspronkelijke schuldeiser bevoegd is om in verzet te komen, maar dat de pandhouder bevoegd is om het verzetrecht van de schuldeiser uit te oefenen. De bevoegdheid die een pandhouder dan uitoefent, is de bevoegdheid van een schuldeiser en dat past dan binnen de kaders van artikel 2:404 lid 5 BW.