Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.1:4.2.1 Artikel 2:14 (oud) BW en artikel 6 WvK
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.1
4.2.1 Artikel 2:14 (oud) BW en artikel 6 WvK
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180280:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
C.J. van Zeben en J.W. du Pon, Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoeringswet Boek 2, Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1977, MvA II Inv., p. 1106.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot de inwerkingtreding van Boek 2 BW was alleen artikel 6 WvK van toepassing, ongeacht de juridische hoedanigheid waarin de koopman en vanaf 1935 een ieder die een bedrijf uitoefende zijn werkzaamheden had vormgegeven.
De invoering van artikel 2:14 (oud) BW in 1976 zou een goede gelegenheid zijn geweest voor een debat over de verhouding tussen de civielrechtelijke administratieplicht specifiek voor privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht en de algemene civielrechtelijke administratieplicht van artikel 6 WvK. Uit de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 2:14 (oud) BW, blijkt niets van een dergelijk debat. Artikel 2:14 BW is pas bij de Invoeringswet in het Burgerlijk Wetboek opgenomen en daaraan zijn maar weinig woorden besteed.1 De enige passage uit de parlementaire geschiedenis dat enig raakvlak heeft met de verhouding tot artikel 6 WvK is de opmerking van de minister in de Memorie van Antwoord II:2
“[N]aar analogie van artikel 6 WvK is een nieuw artikel ingevoegd voor alle rechtspersonen waarop de Titels 2.2-2.4 van toepassing zullen zijn, ook voor zover zij geen bedrijf uitoefenen.”
De analogie waar in deze passage over wordt gesproken lijkt te moeten worden gezocht in het feit dat voor rechtspersonen als bedoeld in Titel 2 tot en met Titel 4 van Boek 2 BW een (toen nog) boekhoudplicht werd ingevoerd ongeacht de kwalificatie van de uitgevoerde werkzaamheden, zoals die op grond van artikel 6 WvK al gold voor een ieder die een bedrijf uitoefende.
Over de verhouding tussen artikel 2:14 (oud) BW en artikel 6 WvK zegt deze passage in de Memorie van Antwoord II niets. Overigens is ook in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 2:14 (oud) BW niets te vinden over de verhouding tot artikel 6 WvK. Omdat met de inwerkingtreding van artikel 2:14 (oud) BW geen uitzondering is gemaakt op de toepasselijkheid van artikel 6 WvK voor rechtspersonen waarvoor artikel 2:14 (oud) BW zou gaan gelden, lijkt de meest logische conclusie dat sprake was van nevenschikking van beide administratieplichten. Uitgaande van de tekst van de wet gold voor rechtspersonen als bedoeld in Titel 2 tot en met Titel 4 van Boek 2 BW vanaf 26 juli 1976 zowel artikel 2:14 (oud) BW als artikel 6 WvK.