Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/1.2
1.2 Achtergrond
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180181:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2096, NJ 1996, 695, m.nt. J.M.M. Maeijer (Van Zoolingen) en Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001, 454 (Panmo).
Artikel 2:248 lid 6 BW. Indien het faillissement is uitgesproken direct volgend op de surseance van betaling of binnen één maand na het einde van de surseance van betaling, wordt de termijn in artikel 2:248 lid 6 BW berekend vanaf de aanvang van de surseance van betaling (artikel 249 lid 1 onder 1° Fw).
Artikel 2:50a j° 2:138 lid 1 BW.
Artikel 2:53a j° 2:50a j° 2:138 lid 1 BW.
Artikel 2:300a j° 2:138 lid 1 BW.
Ik laat de openbaarmakingsplicht (artikel 2:394 BW) hierna verder buiten beschouwing.
In artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW ontbreekt het woord kennelijk. Wezeman beschrijft dat zodra vaststaat dat de administratieplicht in belangrijke mate is verwaarloosd, het bestuur zijn taak in algemene zin kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in lid 1 van die artikelen. Zie J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders (diss. Groningen), IVO, deel 29, Deventer: Kluwer 1998, p. 301. Ik zal hierna dan ook refereren aan kennelijk onbehoorlijk bestuur in het kader van de schending van de administratieplicht.
Artikel 2:248 lid 2 BW voor bestuurders van een besloten vennootschap. Voor bestuurders van een naamloze vennootschap op grond van artikel 2:138 lid 2 BW, bestuurders van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen op grond van artikel 2:50a j° 2:138 lid 2 BW, bestuurders van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij op grond van artikel 2:53a j° 2:50a j° 2:138 lid 2 BW en bestuurders van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen op grond van artikel 2:300a j° 2:138 lid 2 BW.
Hoge Raad 23 november 2001, r.o. 3.7, ECLI:NL:HR:2001:AD4508, NJ 2002, 95, m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2002/4, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vlimeta, Mefigro) en Hoge Raad 20 oktober 2006, r.o. 4.5.2, ECLI:NL:HR:2006:AY7916, NJ 2007, 2, m. nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2006/622, m.nt. Y. Borrius (Van Schilt/Jansen).
Voor bestuurders van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap op grond van artikel 2:138 lid 7 BW respectievelijk artikel 2:248 lid 7 BW, voor bestuurders van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:50a BW, voor bestuurders van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij via de artikelen 2:53a BW en 2:50a BW en voor bestuurders van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:300a BW.
Hoge Raad 23 november 2001, r.o. 3.6, ECLI:NL:HR:2001:AD4508, NJ 2002, 95, m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2002/4, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vlimeta, Mefigro). Met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake Mefigro overweegt de Rechtbank ’s-Gravenhage meer algemeen dat artikel 2:10 BW zich niet slechts richt tot de formele bestuurders maar ook tot de feitelijk bestuurders (Rechtbank ’s-Gravenhage 17 augustus 2011, r.o. 4.3, RBSGR:2011:BU3328).
Hoge Raad 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4508, Ondernemingsrecht 2002, 10, m.nt. J.B. Wezeman (Vlimeta, Mefigro).
Voor commissarissen van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap op grond van artikel 2:149 j° 2:138 lid 2 BW respectievelijk artikel 2:259 j° 2:248 lid 2 BW, voor commissarissen van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:50a BW, voor commissarissen van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij via de artikelen 2:53a BW en 2:50a BW en voor commissarissen van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:300a BW.
Voor feitelijk commissarissen van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap op grond van artikel 2:149 j° 2:138 lid 2 en 2:138 lid 7 BW respectievelijk artikel 2:259 j° 2:248 lid 2 en 2:248 lid 7 BW, voor feitelijk commissarissen van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:50a BW, voor feitelijk commissarissen van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij via de artikelen 2:53a BW en 2:50a BW en voor feitelijk commissarissen van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:300a BW.
Kamerstukken 16 631, Tweede Kamer, vergaderjaar 1980-1981, nr. 3 (MvT), p. 7.
Hoge Raad 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2114, r.o. 3.5, NJ 1997, 58, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bodam Jachtservice). Nadien ook aan de orde geweest in Rechtbank Alkmaar 3 februari 2000, r.o. 8, ECLI:NL:RBALK:2000:AG3732, JOR 2000/98 en Rechtbank Noord-Nederland 4 december 2013, r.o. 2.16, ECLI:NL:RBNNE:2013:7528, JOR 2014/64, m.nt. S.C.M. van Thiel (Betelgeuze).
Artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW, tweede volzin. Het is aannemelijk dat in deze bepaling een vennootschap onder firma dan wel de commanditaire vennootschap naar Nederlands recht wordt bedoeld.
In geval van het faillissement van een besloten vennootschap is iedere bestuurder aansprakelijk voor het tekort in de boedel indien sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement.1 De bewijslast voor zowel het element kennelijk onbehoorlijk bestuur als voor het feit dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, rust op de curator. Het is dus de curator die feiten en omstandigheden moet stellen – en zo nodig bewijzen – waaruit volgt dat is gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gedaan zou hebben2 en dat sprake is van een causaal verband – een belangrijke oorzaak – tussen het kennelijk onbehoorlijk bestuur en het faillissement van de besloten vennootschap. Het moet gaan om kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement.3 Deze vorm van aansprakelijkheid in geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur rust ook op bestuurders van een naamloze vennootschap4, een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen5, een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij6 en van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.7
Van het uitgangspunt dat de stelplicht en bewijslast op de curator rust wordt afgeweken indien het bestuur in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement niet heeft voldaan aan de administratieplicht of de openbaarmakingsplicht.8 In dat geval staat kennelijk onbehoorlijk bestuur9 vast en wordt vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.10 Het is dan de curator die zal moeten stellen – en zo nodig bewijzen – dat de administratieplicht is geschonden. Indien de administratieplicht inderdaad is geschonden, is het aan de aansprakelijk gestelde bestuurder om te stellen en aannemelijk te maken dat andere feiten en/of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.11
Wanneer sprake is van schending van de administratieplicht, loopt de bestuurder in geval van faillissement van de rechtspersoon dus een aanmerkelijk risico van aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel. Hetzelfde geldt in geval van faillissement voor feitelijk beleidsbepalers, ook wel feitelijk bestuurders genoemd.12 In het in de vorige alinea aangehaalde arrest inzake Mefigro werd aan de Hoge Raad voorgelegd of het gerechtshof terecht had geoordeeld dat in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheid van het bestuur op grond van artikel 2:248 lid 2 BW het niet-voldoen aan de administratieplicht ook aan de feitelijk bestuurder kan worden verweten.13 De door de curator aansprakelijk gestelde (feitelijk) bestuurder(s) stelde(n) dat de administratieplicht niet op de feitelijk bestuurder rust en dat het gerechtshof had miskend dat artikel 2:10 BW relevantie verliest wanneer bij een rechtspersoon uitsluitend sprake is van feitelijk bestuurders. De Hoge Raad verwerpt dit verweer en overweegt dat het gerechtshof terecht had geoordeeld dat de administratieplicht ook op de feitelijk bestuurder rust. In zijn annotatie bij het arrest van de Hoge Raad wijst Wezeman erop dat deze beslissing alleen zal gelden in relatie tot artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW en in zoverre begrijpelijk is.14 Wezeman beschrijft dat hij vermoedt dat de Hoge Raad met deze uitspraak probeert te verzekeren dat de bijzondere regels van het tweede lid in alle gevallen ook (mede)beleidsbepalers treffen, dus ook in het geval er geen (aansprakelijk te stellen) bestuurders in formele zin zijn. Gezien de achtergrond van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW, namelijk het tegengaan van misbruik van rechtspersonen, lijkt dit vermoeden terecht. Wanneer feitelijk bestuurders niet (ook) aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden voor het niet- voldoen aan de administratieplicht in geval van faillissement, zou het eenvoudig worden de toepasselijkheid van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW te omzeilen.
Ook commissarissen15 en feitelijk commissarissen16 kunnen aansprakelijk zijn wanneer de rechtspersoon de administratieplicht niet heeft nageleefd in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement. Voor (feitelijk) commissarissen geldt dat zij niet zelf gehouden zijn om de in artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW bedoelde administratieplicht na te leven, ook niet wanneer het bestuur daarin tekortschiet, maar dat het hun taak is op de nakoming van die verplichting door het bestuur toezicht te houden.17 In zijn arrest inzake Bodam Jachtservice overweegt de Hoge Raad dat commissarissen zich over de naleving van de administratieplicht door het bestuur moeten laten inlichten, dat zij het bestuur hierover moeten adviseren en eventueel moeten ingrijpen door een bestuurder te schorsen of zijn ontslag te bevorderen.18
Artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW is ook van toepassing indien de gefailleerde naamloze vennootschap of besloten vennootschap de volledig aansprakelijke vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en door deze vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 3:15i BW.19
Naast deze aansprakelijkheidsrisico’s bij schending van de administratieplicht in geval van faillissement, is de betekenis van de administratieplicht ook in andere situaties relevant. Op grond van artikel 3:15j BW kunnen bepaalde belanghebbenden de openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers vorderen mits zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben. Ook bij dergelijke procedures is het relevant te weten wat wel en niet tot de administratie behoort.