De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/4.11.1:4.11.1 De feitelijke bestuurder te goeder trouw
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/4.11.1
4.11.1 De feitelijke bestuurder te goeder trouw
Documentgegevens:
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631766:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is op welk moment op een quasi-bestuurder bestuursverplichtingen komen te rusten. Gaat het om een quasi-bestuurder die te goeder trouw, maar ten onrechte, meent formeel tot bestuurder te zijn benoemd, dan ligt het voor de hand ervan uit te gaan dat de verplichtingen die op de formele bestuurder rusten op grond van de wet en de statuten, ook op hem rusten en wel vanaf de eerste dag van zijn veronderstelde benoeming. De betrokkene is door iedereen als een formele bestuurder beschouwd, en heeft zichzelf ook als zodanig beschouwd, totdat (bijvoorbeeld) het gebrek in zijn benoemingsbesluit aan het licht kwam. Los van de vraag of het gebrek mogelijk wordt geheeld kan deze quasi-bestuurder zich mijns inziens enerzijds in voorkomend geval beroepen op de hoge drempel voor aansprakelijkheid, maar hoort bij zijn rol onder de gegeven omstandigheden evenzeer dat op hem de verplichtingen rusten die op een formele bestuurder rusten. Hij dient te worden behandeld als ware hij (van stonde aan) een formele bestuurder, zowel wat betreft zijn mogelijke aansprakelijkheid als wat betreft de op hem rustende verplichtingen.
In de regel zal met de hier bedoelde bestuurder (te goeder trouw) een (maandelijkse) vergoeding zijn overeengekomen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij daarop géén aanspraak zou kunnen maken; dit betreft de contractuele en niet de organisatierechtelijke betrekking. Als feitelijke bestuurder te goeder trouw kan ook worden aangemerkt degene die in het kader van zaakwaarneming voor langere tijd de leiding over een rechtspersoon op zich neemt en mijns inziens aanspraak op een vergoeding zou moeten kunnen maken (zie par. 4.13). Het ligt voor de hand aan te nemen dat het waarnemen van het bestuur ook betekent dat op het bestuur rustende verplichtingen (zoveel mogelijk) moeten worden nagekomen. Dat geldt ook voor de administratieplicht als doorlopende verplichting.
Gaat het om een ExCo, waarvan enkele leden als quasi-bestuurders moeten worden aangemerkt, dan ligt het niet direct voor de hand aan te nemen dat op die leden ook de administratie- en jaarrekeningplicht rust. Of dat zo is zal mede afhangen van de taakverdeling binnen dat ExCo. Denkbaar is dat de verantwoordelijkheid voor de financiële administratie berust bij een lid van het ExCo dat geen statutaire bestuurder is. Behalve op het formele bestuur, zou de administratieplicht ook op hem kunnen rusten. Als de administratie- en jaarrekeningplicht enkel op het formele bestuur rust en schiet dat bestuur tekort in de nakoming daarvan, dan brengt dat voor de overige leden van het ExCo mee dat de bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW aan hen kunnen worden tegengeworpen. Dit ondanks het feit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de verplichting een deugdelijke administratie te voeren en de jaarrekeningplicht enkel op het formele bestuur rusten, en de andere leden van het ExCo in de regel ook niet de bevoegdheid zullen hebben deze taken uit te voeren. Dit gevolg van lid 7 van art. 2:138/248 BW vloeit voort uit het feit dat sprake is van collegiale besluitvorming, met daaraan gekoppeld gezamenlijke verantwoordelijkheid.