De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.6.4.2:5.6.4.2 Uitzondering 1: grote ondernemingen
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.6.4.2
5.6.4.2 Uitzondering 1: grote ondernemingen
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS390961:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste uitzondering is letterlijk uit de Tiende Richtlijn in art. 2 (1) cao nr. 94 overgenomen. De uitzondering treedt in werking indien minstens één van de fuserende vennootschappen in de zes maanden voorafgaand aan de datum van neerlegging van het fusievoorstel gemiddeld meer dan 500 werknemers heeft en op deze vennootschap een regeling met betrekking tot medezeggenschap van toepassing is. De Belgische doctrine verstaat onder het begrip fuserende vennootschappen terecht de aan de fusie deelnemende vennootschappen.1
Saelens en De Schutter betogen dat de eerste uitzondering voor België geen relevantie heeft.2 De uitzondering zou slechts van belang zijn voor een grensoverschrijdende fusie tussen vennootschappen uit lidstaten die bekend zijn met medezeggenschap. Als voorbeeld verwijzen zij naar een fusie tussen een Nederlandse en een Duitse vennootschap. Begrijp ik het goed, dan menen Saelens en De Schutter dat de eerste uitzondering vereist dat alle bij de fusie betrokken vennootschappen meer dan 500 werknemers én een medezeggenschapsregeling hebben. Waarop zij hun visie baseren, is mij niet duidelijk. Zowel de Tiende Richtlijn als de cao nr. 94 spreekt van ‘ten minste één van de fuserende vennootschappen’. De uitzondering kan dus ook voor Belgische vennootschappen van betekenis zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een fusie tussen een Belgische NV en een Nederlandse NV, welke laatste vennootschap meer dan 500 werknemers heeft. Voor zover Saelans en De Schutter hebben bedoeld dat een Belgische vennootschap nooit zelf aan de vereisten van de eerste uitzondering kan voldoen, is hun zienswijze evenmin juist. Hoewel het Belgische vennootschapsrecht geen wettelijk medezeggenschapsregime kent, kan de medezeggenschap in de statuten zijn neergelegd. Voorts is denkbaar dat een ‘Belgische’ SE of een uit een eerdere grensoverschrijdende fusie ontstane Belgische vennootschap aan medezeggenschap is onderworpen.
Welke werknemers relevant zijn voor het 500-criterium volgt uit art. 4 § 2 (7) cao nr. 94. Hoewel de definitie pas na de uitzonderingen is opgenomen, is aannemelijk dat ook het werknemersbegrip in de eerste uitzondering aan de hand van deze definitie wordt ingevuld. Werknemers zijn ‘de personen die arbeid verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst’. Anders dan Nederland en Duitsland, lijkt België een uniforme uitleg te geven aan het werknemersbegrip. De definitie verwijst niet naar het nationale recht van de lidstaat waar de werknemers werkzaam zijn, terwijl een dergelijke verwijzing wel is opgenomen bij de verkiezing en aanwijzing van de BOG-leden.3 Of een uniforme uitleg is beoogd, valt echter te betwijfelen. Art. 4 § 2 (7) cao nr. 94 verwijst expliciet naar de leerovereenkomst. Deze toevoeging vindt haar grondslag in de Bedrijfsorganisatiewet, wat duidt op een nationale benadering van het werknemersbegrip. Bovendien sluit art. 5 cao nr. 94 aan bij het nationale werknemersbegrip en is er geen reden aan te nemen dat de Nationale Arbeidsraad bij de eerste uitzondering een andere benadering heeft beoogd.4
Het criterium ‘stelsel van werknemersmedezeggenschap’ is niet gedefinieerd. De literatuur vult dit begrip in aan de hand van de definitie van medezeggenschap (zie hiervoor paragraaf 5.6.3.1).