Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.4.5
4.4.5 Stilzwijgend recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264411:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Noodt, Commentarium, p. 261; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5; Thomas 2007, p. 62. In gelijke zin: Van der Linden 1806, nr. 1.15.7.
Zie bijvoorbeeld Van Lamzweerde 1781, nr. 5.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 62.
Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.7; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
In gelijke zin: Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 4.141.
Cum debitor gratuita pecunia utatur, potest creditor de fructibus rei sibi pigneratae ad modum legitimum usuras retinere.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 62.
Mandatum nisi gratuitum nullum est: nam originem ex officio atque amicitia trahit, contrarium ergo est officio merces: interveniente enim pecunia res ad locationem et conductionem potius respicit. Er is geen geldige lastgeving als niet om niet gehandeld wordt. Zij vindt namelijk haar oorsprong in het betonen van dienstvaardigheid en vriendschap, en betaling is in strijd met dienstvaardigheid. Immers, wanneer er geld aan te pas komt, heeft de zaak eerder te maken met verhuur en huur.
Si remunerandi gratia honor intervenit, erit mandati actio. Als er sprake is van een honorarium bij wijze van beloning, is de actie uit lastgeving toepasselijk
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 61.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 62. Noodt legde een vergelijkbare redenering ten grondslag aan zijn morele rechtvaardiging van het uitlenen van geld tegen rente: Noodt, De foenore et usuris, nr. 1.6; Van den Bergh 1988, p. 184.
Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.7; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 4.48.8-9; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15; Thomas 2007, p. 61. Vgl. Van Wassenaer 1661, nr. 14.57.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.6.2. Eigen vertaling. Et quod attinet solutionem, non dubium, quin & sub eâ comprehendatur, si creditor ex pignore fructus, debiti quantitatem aequantes perceperit, quoties non subest pactum antichresios.
Hetzelfde vloeit voort uit Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.4.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Van de auteurs die ik heb bestudeerd verdedigden er vijf de opvatting van Voet c.s.: De Groot, Voet, Vinnius, Van Leeuwen en Van der Keessel. Slechts twee auteurs die ik heb bestudeerd waren het hiermee oneens: Huber en Noodt. Zie ook Van Lamzweerde 1781, nr. 5. In deze zaak werd de vraag beantwoord of de pandgebruiker naar Zutphens recht een verplichting tot rekening en verantwoording had.
Zie §5.2.1 en §5.4.2.
Hiervoor bleek dat partijen zelf konden kiezen welke functie het recht van pandgebruik had: een rentefunctie of een aflossingsfunctie. Omstreden was echter welke functie het recht van pandgebruik had als partijen daarover geen afspraken hadden gemaakt. Met andere woorden: over de functie van een stilzwijgend recht van pandgebruik (antichresis tacita) bestond geen duidelijkheid. Als sprake was van een stilzwijgend recht van pandgebruik, maar partijen wel afspraken hadden gemaakt over een rentepercentage over de gesecureerde vordering, was duidelijk dat het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Was er sprake van een stilzwijgend recht van pandgebruik en hadden partijen geen afspraken gemaakt over een rentepercentage, dan was de functie van een stilzwijgend recht van pandgebruik problematisch.
Om de discussie over de functie van het stilzwijgende recht van pandgebruik inzichtelijk te maken, schets ik twee situaties.
Aulus heeft een vordering uit geldlening van fl. 10.000 op Blasius. Bij het aangaan van de geldlening zijn partijen een rentepercentage van 10% per jaar overeengekomen. Tot zekerheid van deze rentedragende lening vestigt Blasius een pandrecht op één van zijn stukken grond.
Aulus heeft een vordering uit geldlening van fl. 10.000 op Blasius. Partijen hebben bij het aangaan van de geldlening niets gezegd over een verschuldigd rentepercentage. Tot zekerheid van deze geldlening vestigt Blasius een pandrecht op één van zijn stukken grond.
In beide situaties zijn geen afspraken gemaakt over een recht van pandgebruik. Het verschil tussen beide situaties is echter dat partijen in de eerste situatie wel een rentepercentage zijn overeengekomen, in de tweede situatie niet.
Ten aanzien van de eerste situatie bestond consensus over de functie van het recht van pandgebruik. Als partijen geen afspraken hadden gemaakt over pandgebruik, maar wel een rentepercentage over de gesecureerde vordering overeen waren gekomen, had het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie. Dit vloeide voort uit C. 8,24(25),2. Van Leeuwen, De Groot, Voet en Vinnius, Noodt en Van der Keessel verdedigden deze opvatting.1
Over de functie van de het recht van pandgebruik in de tweede situatie liepen de meningen uiteen.2 Noodt3 en Huber4 waren van mening dat de antichresis tacita een rentefunctie had als partijen geen afspraken hadden gemaakt over een rentepercentage. Welke functie een recht van pandgebruik had, liet Noodt afhangen van het antwoord op de vraag of partijen een rentepercentage overeen waren gekomen. Was het antwoord hierop positief, dan had het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie. Was het antwoord negatief, dan had het recht van pandgebruik een rentefunctie, ongeacht of partijen bij de vestiging van een pandrecht afspraken over pandgebruik hadden gemaakt.5
Van Leeuwen, De Groot, Voet, Vinnius en Van der Keessel waren het hiermee oneens. Volgens hen had ieder stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie, ook als over een rentepercentage geen afspraken waren gemaakt. De centrale twistpunten in de discussie waren de interpretatie van D. 20,2,8 (Paulus) in samenhang met andere pandteksten uit het Corpus Iuris Civilis, en overwegingen van morele aard.
De twee gangbare interpretaties van D. 20,2,8 (Paulus) heb ik besproken in §2.5.3. Voor een goed begrip van de discussie citeer ik de tekst hier nogmaals:
“Wanneer een schuldenaar in het genot is van een renteloze geldlening, kan de geldschieter van de vruchten van de hem verpande zaak rente afhouden tot op hetzelfde wettelijke percentage.”6
Noodt interpreteerde deze tekst als volgt. De schuldeiser had geld uitgeleend aan zijn schuldenaar, zonder een rentepercentage af te spreken. Aldus verstrekte de schuldeiser een rentevrije lening (pecunia gratuita) aan de schuldenaar. Tegelijkertijd vestigden partijen voor deze geldlening een vuistpandrecht op een vruchtdragende zaak. In dat geval was stilzwijgend overeengekomen dat de schuldeiser de gebruiksopbrengst van het onderpand mocht houden als rentevergoeding. Het bedrag dat de schuldeiser als rentevergoeding mocht houden was gebonden aan het maximale rentepercentage over de gesecureerde vordering.7 Noodt meende dus dat stilzwijgend een rentepandgebruik ontstond in iedere situatie waarin een rentevrije lening was verstrekt en de schuldeiser een pandrecht verkreeg op een zaak met gebruikswaarde.
Bovendien meende Noodt dat het gebruik van de term pecunia gratuita verenigbaar was met zijn interpretatie van D. 20,2,8. Dat het in de tekst ging om pecunia gratuita, een rentevrije lening, stond niet in de weg aan het aannemen van een antichresis tacita waarmee de schuldeiser toch een rentevergoeding kon verkrijgen uit de gebruiksopbrengst van het onderpand. Hiertoe beriep Noodt zich op D. 17,1,1,4 (Paulus)8 en D. 17,1,6pr (Ulpianus)9. Op grond van D. 17,1,1,4 (Paulus) was een lastgeving nietig als zij niet geschiedde om niet (gratuitum) was. Toch kon de lasthebber blijkens D. 17,1,6pr wel degelijk een beloning verkrijgen in de vorm van honorarium. De lasthebber verrichtte zijn diensten gratuitum, maar mocht niettemin een beloning verkrijgen. Op gelijke wijze stond het gebruik van de term pecunia gratuita er dus niet aan in de weg dat de pandhouder op andere wijze een rentevergoeding verkreeg. Aldus was het gebruik van de term pecunia gratuita verenigbaar met het feit dat de schuldeiser de vruchten van het onderpand inde als rentevergoeding.10
Naast zijn interpretatie van D. 20,2,8 had Noodt een moreel argument voor de stelling dat antichresis tacita een rentefunctie had. Hij was van mening dat een schuldenaar van een rentevrije lening moreel gehouden was om de pandhouder de vruchten van het onderpand te laten innen als rentevergoeding. Het verstrekken van een geldlening zonder hiervoor een rentepercentage in rekening te brengen, was een daad van medemenselijkheid (humanitas). Wie zo’n gunst verleend kreeg, behoorde op zijn beurt aan de crediteur toe te staan ter compensatie van zijn geld de vruchten van het onderpand te innen. De debiteur, begunstigde van een renteloze geldlening, behoorde dus op zijn beurt de crediteur de gunst van het gebruik van het onderpand te verlenen. De schuldenaar zou schaamteloos (inverecundiam) handelen als hij de pandhouder niet toestond om vruchten te innen in plaats van een rentevergoeding.11
Volgens Huber ontstond een stilzwijgend recht van pandgebruik als de pandhouder een renteloze lening had verstrekt; er was geen rente bedongen in een vormelijk nevenbeding. De vuistpandhouder mocht dan vruchten van het onderpand afhouden tot op het maximale wettelijke rentepercentage. Als de pandhouder een vruchtdragende zaak in pand kreeg tot zekerheid van een rentevrije vordering, werden partijen geacht stilzwijgend te zijn overeengekomen dat de pandhouder de vruchten mocht trekken als rentevergoeding.12
Hoewel Noodt en Huber van mening waren dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een rentefunctie had, verschilde deze rentefunctie van de rentefunctie bij een uitdrukkelijk overeengekomen recht van pandgebruik. Het verschil tussen antichresis tacita en een uitdrukkelijk overeengekomen rentepandgebruik was volgens Noodt en Huber dat de pandgebruiker bij een stilzwijgend recht van pandgebruik nooit meer vruchten als rente mocht afhouden dan het wettelijke rentemaximum. Bij een uitdrukkelijk overeengekomen recht van pandgebruik kon dit wel. Was de vruchtopbrengst van het onderpand onzeker, dan mocht de pandhouder meer vruchten als rente afhouden dan het maximaal toegestane rentepercentage. Het verschil tussen antichresis tacita en een uitdrukkelijk recht van pandgebruik was dus, dat de schuldeiser bij een uitdrukkelijk recht van pandgebruik rente kon afhouden ad infinitum, terwijl hij bij een stilzwijgend recht van pandgebruik werd begrensd door het wettelijke rentemaximum.13
Voet keerde zich tegen Noodts en Hubers interpretatie van D. 20,2,8. Ging het om een renteloze lening, dan lag het meer voor de hand dat de pandhouder de vruchtopbrengsten van het onderpand direct in mindering bracht op de hoofdsom:
“En wat betreft betaling [van de gesecureerde vordering] staat het buiten twijfel dat daaronder ook wordt begrepen dat de crediteur uit het onderpand vruchten heeft getrokken, welke gelijk zijn aan de hoogte van de schuld, als tenminste geen sprake is van een pactum antichresios.”14
Uit dit fragment volgt dat Voet meende dat een pandgebruik een aflossingsfunctie had, tenzij partijen een pactum antichreticum inhoudende een rentefunctie in de pandovereenkomst hadden opgenomen.15
Voet baseerde zich op C. 4,24,1-3, C. 4,24,12 en C. 8,27(28),1. Volgens Voet zag D. 20,2,8 enkel op de situatie waarin de schuldenaar in verzuim kwam met de aflossing van de renteloze lening. Vanaf het moment waarop de schuldenaar in verzuim kwam, begon wettelijke rente over de gesecureerde vordering te verschijnen. Het recht van pandgebruik had dan nog steeds een aflossingsfunctie. De gebruiksopbrengst van het onderpand kwam nu echter niet meer direct in mindering op de hoofdsom, maar primair op de wettelijke rente. Als nog iets over was, moest de pandgebruiker het meerdere in mindering brengen op de gesecureerde vordering.16
Vinnius nam hetzelfde standpunt in als Voet. Indien geen rente was overeengekomen, behoorde de vuistpandhouder de vruchtopbrengst direct in mindering te brengen op de hoofdsom. Slechts als de schuldenaar in verzuim kwam, mocht de pandgebruiker de vruchten innen als wettelijke rente, tot op het maximale wettelijke percentage.17
De Groot en Van der Keessel namen ook het standpunt in dat ieder stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Volgens hen dwong C. 4,24,1 tot deze conclusie. Als bij de vestiging van een vuistpandrecht niets was afgesproken over pandgebruik, gold de waarde die de pandhouder door gebruik genereerde als aflossing op de gesecureerde vordering.18 Met andere woorden: het recht van pandgebruik had een aflossingsfunctie, tenzij anders overeengekomen.
Vergelijkbaar met Noodt onderbouwde Vinnius zijn standpunt dat het stilzwijgende recht van pandgebruik niet een rentefunctie had, maar een aflossingsfunctie, met een moreel argument. Niet de schuldenaar, maar de schuldeiser zou zich schuldig maken aan immoreel gedrag als hij voor een rentevrije lening de gebruiksopbrengst van het onderpand behield als rentevergoeding. Vinnius vond het absurd om aan te nemen dat een vuistpandhouder vruchten van het onderpand mocht innen tot op het wettelijke rentemaximum, als geen rente over de gesecureerde vordering was overeengekomen. Rente behoorde te worden overeengekomen in een vormelijk nevenbeding. Deden partijen dit niet, dan behoorde de pandhouder niet alsnog rente te kunnen innen uit de vruchten. De schuldenaar verkeerde immers in de veronderstelling een renteloze geldlening te hebben ontvangen. In plaats daarvan hield de pandhouder vruchten van het onderpand af tot het maximale rentepercentage, de zwaarste rente die op grond van de wet van de schuldenaar gevergd kon worden. Door zich zo te gedragen, maakte de pandgebruiker zich schuldig aan bedrog en ontduiking (circumventio).19
Noodt en Huber stonden in hun opvatting over de functie van een stilzwijgend recht van pandgebruik tegenover De Groot, Voet, Vinnius, Van Leeuwen en Van der Keessel. Volgens Noodt en Huber had een stilzwijgend recht van pandgebruik een rentefunctie als partijen geen rentepercentage over de gesecureerde vordering waren overeengekomen. De Groot, Voet, Vinnius, Van Leeuwen en Van der Keessel meenden juist dat een stilzwijgend recht van pandgebruik altijd een aflossingsfunctie had, dus ook als partijen geen afspraken hadden gemaakt over een rentepercentage. Beide kampen steunden in hun opvatting op hun eigen interpretatie van D. 20,2,8 in samenhang met andere teksten uit het Corpus Iuris Civilis. Daarnaast baseerden Noodt en Vinnius zich op overwegingen van morele aard. Vinnius betichtte de schuldeiser van bedrog, als hij voor een renteloze lening de vruchten van het onderpand inde als ware het rente. Noodt beschuldigde juist de schuldenaar van schaamteloosheid, als hij de schuldeiser niet toestond om vruchten van het onderpand te houden als compensatie voor een renteloze lening.
Aannemelijk is dat de opvatting van Voet c.s. de heersende was. Zij lijkt de meerderheidsopvatting te zijn geweest, die gedurende de hele Rooms-Hollandse periode werd verdedigd.20 Bovendien is het recht van Zuid-Afrika, dat op het Rooms-Hollandse recht voortbouwt, de opvatting van Voet c.s. gevolgd. Naar Zuid-Afrikaans recht moet de vuistpandhouder de vruchten van het onderpand trekken. Vervolgens dient hij een staat op te maken van de waarde die hij door gebruik van het onderpand heeft genoten. De pandhouder moet deze waarde afstaan aan de pandgever of in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Het recht van pandgebruik heeft slechts een rentefunctie als partijen dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen. In alle andere gevallen, ook als sprake is van een stilzwijgend recht van pandgebruik, heeft het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie.21