Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.B:B. Civielrechtelijke knelpunten/aanpassingen
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.B
B. Civielrechtelijke knelpunten/aanpassingen
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472476:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De barometer is gepubliceerd in: R. Bouwmeester, ‘Verkavelingspuzzel is af bij laatste stukje’, p. 10. Zie tevens http://www.verkavelenvoorgroei.nl/kaarten/, datum inzage 31 januari 2014.
Ontleend aan: J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2013: de stand van zaken’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kavelruil kent een bijzondere, veelal politiek gekleurde voorgeschiedenis. Ontstaan vanuit de dwingende ruilverkaveling, die op haar beurt geënt was op de markeverdelingen, profiteerde deze vrijwillige vorm van landinrichting in zekere zin van het gebrek aan draagvlak, de trage afwikkeling en de lange duur van de ruilverkaveling. Reeds in de aanloop naar de tweede Ruilverkavelingswet (1938), ontstond het besef dat er, naast de dwingende ruilverkaveling, een consensuele vorm van landinrichting moest worden ingevoerd, die flexibel en snel kon worden ingezet. Via de in dat jaar geïntroduceerde ruilverkaveling bij overeenkomst werden de eerste, voorzichtige schreden op het vrijwillige pad, aan de hand van de overheid, gezet. In 1971 bleek het vrijwillige kind op eigen benen te kunnen staan en vervolgde het zijn weg zelfstandig als kavelruil, waar de overheidsinvloed nog slechts marginaal was. Deze stap bleek een schot in de roos: de kavelruil werd veelvuldig en succesvol ingezet, waarbij de flankerende maatregelen op financieel (subsidie) en fiscaal gebied (vrijstelling) hun vruchten afwierpen. De populariteit van de kavelruil is tot op heden onverminderd hoog te noemen. Dat er desalniettemin in ‘ons’ landelijke gebied nog voldoende (verkavelings)werk aan de winkel is, blijkt uit de ‘verkavelingsbarometer’, een overzicht waarop per regio is aangegeven hoe het met de actuele verkavelingssituatie is gesteld.1
Gaandeweg heeft de kavelruil zich meer en meer van zijn publiekrechtelijke jas ontdaan en groeide hij uit tot een nagenoeg volledig civielrechtelijke vorm van landinrichting.
Civielrechtelijk zijn er anno 2014 nog weinig obstakels die een effectieve toepassing van de kavelruil zouden kunnen verhinderen. Wel is de summiere en op onderdelen onduidelijke wettekst, die inhoudelijk nagenoeg gelijk is aan de regeling onder de Landinrichtingswet (die op haar beurt weer nagenoeg integraal was overgenomen uit de Ruilverkavelingswet 1954), mijns inziens een voorbeeld van gemakzuchtige en soms slordige wetgeving. Mede gezien de eveneens summiere toelichting tijdens de parlementaire behandeling, bestaat de indruk dat de wetgever zich van het onderwerp ‘kavelruil’ wel erg gemakkelijk heeft willen afmaken. Het ware beter geweest indien in de WILG de reeds onder de Landinrichtingswet bestaande vragen en onduidelijkheden waren gerepareerd door middel van heldere wetteksten, die niet voor meerdere uitleg vatbaar zouden zijn.2
Deze ‘losse eindjes’ binnen de wettekst betreffen onder meer de vraag naar de exacte reikwijdte van de toetredersregeling, de bijzondere route via ‘artikel 88’ en de inhoud en strekking van de merkwaardige en ongewenste zinsnede ‘transacties die evengoed buiten het ruilproces kunnen plaatsvinden’ uit de parlementaire geschiedenis. Wellicht biedt een toekomstige aanpassing van de WILG de ruimte om de bestaande onduidelijkheden op onderdelen weg te nemen door in de wetteksten de nodige wijzigingen en aanpassingen door te voeren.
De niet op alle onderdelen even scherp geformuleerde wettekst laat bovendien ruimte voor allerhande civielrechtelijke dwarsverbanden, die op hun beurt weer juridische vragen en onduidelijkheden oproepen. Vergelijk in dit kader de moeilijk te duiden verhouding tussen de kavelruil en de ‘Boek 7-ruil’ en de diverse, vanuit de rechtshistorie verklaarbare banden met de rechtsfiguur ‘verdeling’. De huidige summiere wettekst van de kavelruil, die dergelijke civielrechtelijke kwesties onopgelost Iaat, maar zich niettemin wel bedient van begrippen, ontleend aan het civiele recht, is naar mijn mening ontoereikend en doet bovendien te weinig recht aan de eigen rechtssfeer die de kavelruil kenmerkt.
Bovendien bant een goede, solide wettekst grensoverschrijdend gedrag uit. Zo zullen als kavelruil vermomde ‘7:49-ruilingen’ bij aanwezigheid van een heldere, eenduidige wettelijke regeling, minder kans hebben om binnen te dringen binnen de (civielrechtelijke) grenzen van de kavelruil.
Ten slotte is mijns inziens thans de tijd rijp om de kavelruil als bijzondere (civielrechtelijke) overeenkomst een plek te geven in het BW. De kavelruil kan zijn WILG- keurslijf, dat hij al jaren is ontgroeid, daarmee definitief achter zich laten. Een opname in het BW doet recht aan de wezenskenmerken van de kavelruil. Bovendien hebben de (recente) ervaringen ten aanzien van de pachtovereenkomst geleerd dat een transponering richting het BW de kenbaarheid en daarmee de populariteit van de rechtsfiguur (verder) ten goede komt.