Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.D:D. Knelpunten/aanpassingen binnen het subsidietraject
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.D
D. Knelpunten/aanpassingen binnen het subsidietraject
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476182:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ontleend aan: J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2013: de stand van zaken’, p. 246-247.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de beschouwing van de civielrechtelijke en de fiscale aspecten van de kavelruil vormt de subsidie het derde en laatste bestanddeel van de trias die de kavelruil sinds zijn introductie in 1971 het predicaat ‘succesformule’ oplevert.
Op het vlak van de subsidiëring is er de afgelopen jaren echter het nodige gebeurd. Daarbij is de steeds verdergaande decentralisatie van het subsidietraject naar mijn mening een achteruitgang ten opzichte van het (centrale) systeem zoals dat onder (onder meer) in de Landinrichtingswet gold. Natuurlijk is er, althans theoretisch, op provinciaal niveau meer concrete kennis van de lokale situatie en de in een individueel geval benodigde maatregelen aanwezig, maar de provincies hebben in hun afzonderlijke subsidieregelingen de tot die tijd bestaande uniformiteit, aanmerkelijk gereduceerd. Een zekere mate van diversificatie behoort daarbij uiteraard tot de beleidsvrijheid van iedere provincie, maar voor een soepele inzet van kavelruil in Nederland is een zekere mate van afstemming tussen de diverse subsidieverordeningen mijns inziens onmisbaar. De ‘gebruiker’ van het instrument kavelruil moet, net als dat op civiel en fiscaal gebied het geval is, ook op subsidieterrein weten hoe de hazen lopen. Een systeem waarbij per provincie verschillende voorwaarden voor subsidiëring gelden, waarbij de omvang van de subsidie bovendien ook per provincie aanmerkelijk verschilt, verdraagt zich naar mijn mening met deze behoefte aan duidelijkheid niet.
Op subsidieterrein zal naar mijn mening gezocht moeten worden naar een (hernieuwd) evenwicht tussen enerzijds de wensen, uitgangspunten en opvattingen die binnen een bepaalde provincie aanwezig zijn en anderzijds de zekere mate van stroomlijning casu quo afstemming die er tussen de diverse provinciale regelgevingen dient plaats te vinden, om een effectieve (provinciegrensoverschrijdende) inzet van kavelruil te kunnen waarborgen. Voorkomen moet worden dat de subsidie, door de beperkingen en aanvullende eisen die per provincie gelden, nog verder dan thans het geval is, verwordt tot een ‘troostprijs’ binnen het totale kavelruilproces. Binnen deze ‘herbezinning’ zie ik tevens een taak voor mede-fmancier Europa weggelegd.
Ondanks het ten opzichte van de fiscale vrijstelling vaak relatief ondergeschikte (financiële) belang, vormt de subsidie één van de fundamenten onder het ‘kavelruilgebouw’. Het Rijk en de provincies dienen zich hiervan in al hun decentralisatiedrang en ook zeker in deze economisch barre tijden terdege bewust te zijn. Alleen door het goed functioneren van de trias civiel-fiscaal-subsidie kan de kavelruil ook anno 2014 een goed werkend instrument zijn in de gereedschapskoffer van de praktijk, (overheidsinstanties en de agrarisch adviseur.1
De ontwikkelingen als gevolg van het Natuurakkoord en de recent aangekondigde opsplitsing van DLG per 1 januari 2015 bieden in dit verband weinig hoop op de gewenste snelle koerswijziging op subsidiegebied.
Op subsidieterrein zou Nederland in mijn opinie zijn licht moeten opsteken bij onze buurlanden Duitsland en België, waar het subsidiebeleid, zowel qua omvang als inhoud, eenduidig en effectief is vormgegeven.