Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.F:F. Duitsland, België en Europa
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.F
F. Duitsland, België en Europa
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471318:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
E.H.Jacoby, Flurbereinigung in Europa, p. 50.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een rechtsvergelijkende kijk in de kavelruilkeukens van onze ‘buren’ Duitsland en België heeft veel opgeleverd. Zo is allereerst gebleken dat de inhoud van het ‘ruilverkavelingsrecht’ van een land grotendeels bepaald wordt door de historische en sociale achtergronden en ontwikkelingen van een land. De inhoud en inrichting van de wetgeving is daarbij in belangrijke mate afgestemd op de zienswijze van de bevolking ten aanzien van de landinrichting.1
Daarnaast is duidelijk geworden dat Duitsland als bakermat van de hedendaagse ruilverkavelingsbeschaving en lichtend voorbeeld voor de meeste Westeuropese landen gezien kan worden. De gedachte dat ruilverkaveling en kavelruil historisch bezien een grote mate van verwantschap met de rechtsfiguur verdeling hebben, is dan ook ontstaan in Duitsland, alwaar de Duitse Umlegung mij op het verdelingsspoor bracht.
De Duitsers zijn daarnaast op het gebied van de freiwilliger Landtausch gezegend met een degelijk, goed functionerend systeem, waarbij, in tegenstelling tot hetgeen bij de Nederlandse kavelruil het geval is, de aanwezigheid van twee deelnemende partijen reeds voldoende is. Ook op het subsidiëringsgebied en op fiscaal terrein is duidelijk hoe de (Duitse) hazen lopen, zodat met recht van ‘Gründlichkeit’ kan worden gesproken.
De aanwezigheid van het Surrogationsprinzip binnen de Duitse wetgeving, zowel op juridisch als op fiscaal gebied, als ‘tegenhanger’ van de (Nederlandse) titelzuivering, die zich manifesteert bij de herverkaveling, is mijns inziens een voor de Nederlandse kavelruil zeer goed passend systeem, dat zeker overwogen dient te worden door de wetgever.
De Belgen beschikken over een op terminologisch en ideologisch vlak gedegen wettelijke regeling van de ruilverkaveling in der minne. Helaas is deze regeling in praktisch opzicht een ramp te noemen: de overdaad aan overheidsinvloed en bureaucratie hebben gezorgd voor een onnodig en onwenselijk remmend effect op de vrijwillige variant van de ruilverkaveling. Daarbij wordt binnen het Belgische systeem een naar mijn smaak merkwaardig en juridisch onlogisch samenspel tussen de leerstukken zaaksvervanging en titelzuivering aangetroffen.
Op fiscaal terrein is voorts, net als in Duitsland, sprake van een duidelijke systematiek: een door de overheid goedgekeurde ‘kavelruil’ kwalificeert automatisch voor de fiscale faciliteit. Gebleken is dat de Belgen op fiscaal gebied strijden tegen oneigenlijk gebruik van het landinrichtingsinstrument, een ontwikkeling die ook in Nederland (vooral in de periode tot 12 november 2004) te zien is (geweest).
Wat voorts is opgevallen bij het rechtsvergelijkend onderzoek is dat, waar de Nederlandse kavelruil meer en meer ‘weggedreven’ is van zijn agrarische kern, de Duitse en Belgische equivalenten nog volop in ‘agrarische sferen’ vertoeven.
Vervolgens is koers gezet richting Europa. Van deze supranationale mogendheid valt op kavelruilgebied weinig te vrezen, maar helaas ook weinig te verwachten. De focus van het Europese landbouwbeleid ligt op inkomensondersteuning van de Europese boeren en duurzaamheid van het door hen geproduceerde, de eerste pijler van het GLB derhalve. Er is weliswaar een toenemende aandacht voor plattelandsontwikkeling en daarmee de tweede pijler van het GLB waarneembaar, maar zolang een uitbreiding van de investeringen op dit laatste gebied nog volledig ten koste gaat van de beschikbare gelden voor inkomenssteun, zal ‘POP’ en daarmee de financiële ondersteuning van de kavelruil op Europees niveau altijd een ondergeschoven kindje blijven.
Daarbij zij opgemerkt dat de tweede pijler van het GLB voor de kavelruil zeker geen ‘dragende muur’ is, In constructief opzicht is het geringe Europese aandeel in de financiering van de kavelruil dus geen groot gemis, maar financiering is wel gewenst, gezien haar belangrijke functie als ‘smeermiddel’.
Ook op het gebied van harmonisatie van (landinrichtings)wetgeving hoeven van Europa voorlopig geen wonderen te worden verwacht. Wel bieden concrete grensoverschrijdende trajecten als Interreg en CROBECO wellicht kansen voor een grensoverschrijdende inzet van kavelruil.