Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.A:A. Terugblik op de gemaakte reis
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/4.I.A
A. Terugblik op de gemaakte reis
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472475:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
F.F.X. Cerutti, ‘Omtrek van het agrarisch recht in Nederland’, in: de Pacht 1971, p. 350.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reis is ten einde. Thans is het moment aangebroken om, bij wijze van (beknopt) reisverslag, terug te blikken op enkele hoogtepunten en ‘leermomenten’ van deze ontdekkingstocht Ik pretendeer daarbij uiteraard geen volledigheid: een slotbeschouwing, die tevens dienst doet als samenvatting, kan mijns inziens, gezien haar beperkte omvang, nauwelijks recht doen aan de omvangrijke en afwisselende reis langs de diverse dimensies en uithoeken van de kavelruil.
Ik heb de reiziger willen laten zien dat de kavelruil het waard is om nader te onderzoeken en van diverse zijden te belichten. Pas wanneer men de kavelruil vanuit diverse (civielrechtelijke, fiscale en internationale) perspectieven beziet, krijgt men zicht op de juridische complexiteit, verscheidenheid en uitgebreide toepassingsmogelijkheden van het instrument. Dat daarbij niet enkel in agrarische hoek moet worden gezocht bewijst de ‘stedelijke kavelruilals vrucht van dit onderzoek. Tevens wordt, door het geven van een (onderzoeks)podium aan de landinrichting, ervoor gewaakt dat de kavelruil door de publieke (niet-agrarische) juridische opinie gezien gaat worden als ‘agrarische folklore’.
Het onderzoek heeft daarnaast aangetoond dat de woorden van ‘agrarisch boegbeeld’ prof. mr. F.F.X. Cerutti: ‘Zinvolle bestudering van het agrarisch recht is slechts mogelijk in relatie met het overige recht’1 ook voor de kavelruil opgaan. Zinvolle bestudering van de kavelruil is immers slechts mogelijk indien men bereid is buiten de gebaande juridische paden van (vooral) de WILG te wandelen.
Deze korte overpeinzing aan het slot van dit onderzoek zal de drie onderzoeksvragen, zoals geformuleerd in onderdeel 4 van de inleiding, als leidraad hebben. Deze drie vragen luidden als volgt:
De Nederlandse kavelruil: hoe is het gesteld met de kwaliteit, de effectiviteit en de werkbaarheid van de kavelruil in Nederland, zowel in civielrechtelijke als in fiscale zin?
Kavelruil in rechtsvergelijkend perspectief: hoe is de kavelruil in de ons omringende landen geregeld en wat zijn de overeenkomsten en verschillen met de Nederlandse regeling?
Kavelruil in grensoverschrijdend perspectief: is (landsgrensoverschrijdende toepassing van kavelruil mogelijk?
De eerste vraag zal hierna in de onderdelen B tot en met E centraal staan. In deze onderdelen zullen achtereenvolgens de civielrechtelijke en fiscale dimensie, de stand van zaken op subsidiegebied en de politieke en notariële aspecten van de kavelruil worden besproken. Onderdeel F zal de tweede vraag als thema hebben, waarna in onderdeel G de derde en laatste vraag zal worden besproken. In onderdeel H komen wij vervolgens echt ‘thuis’ en zal het onderzoek definitief worden afgerond.
Ten aanzien van de derde onderzoeksvraag zij reeds op deze plaats opgemerkt dat tijdens de reis ook grensoverschrijding binnen de landsgrenzen, maar buiten het primaire juridische speelveld heeft plaatsgevonden. Onder meer de ruimtelijke, sociologische en geografische kanten van de kavelruil zijn op hoofdlijnen belicht.
Daarbij viel op dat de relatie tussen kavelruil en ruimtelijke ordening in Nederland op zijn minst moeizaam te noemen is: een duidelijke coördinatie tussen bestemming (ruimtelijke ordening) en inrichting (kavelruil) ontbreekt. In dat opzicht kan Nederland een voorbeeld nemen aan de Belgen, die de relatie tussen de ruilverkaveling in der minne en de ruimtelijke ordening op duidelijke en kernachtige wijze hebben vormgegeven. Niettemin ondervindt de kavelruil nagenoeg geen hinder van de afwezigheid van deze coördinatie ten opzichte van de ruimtelijke ordening.
De rol van de sociologie binnen de kavelruil bleek zwaar onderbelicht te zijn. Kennelijk lijdt de kavelruil-jurist aan ‘tunnelvisie’, aangezien de (rechts)sociologische aspecten van kavelruil, hoewel zeer duidelijk aanwezig en van grote invloed op de inzetbaarheid en effectiviteit van het instrument, in juridische beschouwingen en wetten geen enkele plek lijken te krijgen. Mijn advies luidt dan ook om meer aandacht te hebben voor het effect en de invloed van de kavelruil op de (inter)menselijke samenleving.
Hetzelfde geldt, zij het in aanzienlijk mindere mate, voor de geografie: ook de geografische ‘impact’ van een kavelruilproject op het landelijk gebied verdient de aandacht van de kavelruil-practicus.