Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.5.3
5.8.5.3 Ambtelijke stukken
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949514:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Directie Wetgeving, Wettendossiers, nummer toegang 2.09.47, inventarisnummer 2762 (Brief van 3 november 1970, aan de Raad van State en het ministerie van Binnenlandse Zaken).
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Directie Wetgeving, Wettendossiers, nummer toegang 2.09.47, inventarisnummer 2764 (nota van 18 maart 1971, betreffende Ontwerp van een Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen).
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen: Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nummer toegang 2.14.78, inventarisnummer 853 (brief van 18 mei 1967 van de minister van Onderwijs en Wetenschap aan de minister van Justitie).
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Directie Wetgeving, Wettendossiers, nummer toegang 2.09.47, inventarisnummer 2775 (brief van 1 november 1973 van het ministerie van Justitie aan de afdeling Wetgeving en Juridische zaken van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen).
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Directie Wetgeving, Wettendossiers, nummer toegang 2.09.47, inventarisnummer 2774 (Brief van 20 mei 1976, aan de Ministers).
Hoewel de wetgever het duidelijk vindt dat tegen een beoordelingsbeslissing geen bezwaar of beroep openstaat, wordt er in de literatuur van begin jaren 80 gegist naar de ratio hierachter. Het uitsluiten van deze beslissingen is voor de leerling ingrijpend, het ontbreken van een degelijke motivering hierover is daarom opmerkelijk. Het is interessant om te bezien welke gedachten op ambtelijk niveau achter deze uitzondering zaten. De Wet AROB is immers eerst ambtelijk voorbereid alvorens het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer is gezonden. De ambtelijke stukken hierover maken geen onderdeel uit van de wetsgeschiedenis, desalniettemin geven de stukken een aantal nuttige inzichten.
Uit de ambtelijke dossiers van het ministerie van Justitie blijkt dat de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen is bedacht voor een wijziging van de Wet BAB, voor het geval de reikwijdte van deze wet uitgebreid zou worden.1 Vervolgens is ervoor gekozen om niet de Wet BAB uit te breiden, maar om een geheel nieuwe wet te maken, de Wet AROB. In een brief van het ministerie van Justitie aan de Raad van State en het Ministerie van Binnenlandse Zaken staat dat de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen was bedoeld als poging om examenbeschikkingen en navenante beschikkingen generiek uit te zonderen. Er wordt bij vermeld dat de formulering een vrij vage kreet is, maar dat dit niet uit de toon valt met de andere uitzonderingen in artikel 5 van de Wet AROB. De uitzondering werd mede voorgesteld om het ministerie van Onderwijs en Wetenschap over te halen om de onderwijswetten van de negatieve lijst te halen. Het doel van de Wet AROB was immers om de rechtsbescherming uit te breiden en te uniformeren.
Het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen vond in 1971 een uitzondering voor beoordelingsbeslissingen prematuur.2 Dit ministerie zou nog graag zien dat de onderwijswetten als geheel uitgezonderd zouden worden van de Wet BAB. De onderwijswetgeving zou al voorzien in de mogelijkheid van beroep in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen.3 Om de onderwijswetten van de negatieve lijst te schrappen en toch uit te zonderen van de Wet AROB werd vanuit dit ministerie daarom voorgesteld om de volgende uitzondering op te nemen in artikel 5 van de Wet AROB:
“beschikkingen, gegeven op grond van een algemeen verbindend voorschrift inzake onderwijs.”
Het ministerie van Justitie heeft hierover destijds terecht opgemerkt dat een algemeen verbindend voorschrift inzake onderwijs te onbepaald is. Hierbij werd als voorbeeld genoemd het politie-examen, het zou niet duidelijk zijn of dit ook een algemeen verbindend voorschrift inzake onderwijs betreft. Het politie-examen zou wel vallen in de door Justitie voorgestelde uitzondering voor beoordelingsbeslissingen.
Justitie had wel begrip voor het punt van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen dat de ruime uitzondering voor beschikkingen inzake onderwijs voorkomt dat er een verschil zou ontstaan in de rechtsbescherming tussen het openbaar en bijzonder onderwijs. Zonder deze ruime uitzondering en zonder de opname van de onderwijswetten op de negatieve lijst zouden beschikkingen van openbare onderwijsinstellingen vatbaar worden voor bezwaar en beroep en beschikkingen van bijzondere onderwijsinstellingen niet. Dit punt was echter niet doorslaggevend. De onderwijswetten kwamen op de negatieve lijst te staan met de bedoeling dat deze lijst na vijf jaar kon komen te vervallen, omdat de opgenomen wetten dan zouden zijn aangepast aan de Wet AROB. Er werd tevens voor gekozen enkel de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen op te nemen in de Wet AROB.
Door het ministerie van Justitie is nog vlak voor de indiening van de negatieve lijst een uitbreiding voorgesteld van de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen:
“beschikkingen, houdende een weigering tot toelating van iemand tot een examen of enigerlei andere wijze van toetsing van zijn kennen of kunnen, dan wel een weigering tot toelating tot of voortzetting van het volgen van enigerlei vorm van onderwijs, op grond van een, uit daarvoor aangewezen bewijzen blijkend tekort in zijn kennen of kunnen.”4
Deze aangevulde uitzondering is interessant omdat hiermee, a contrarioredenerend, de reikwijdte van de ingevoerde uitzondering voor beoordelingsbeslissingen wordt aangegeven. De aangevulde uitzondering omvat ook beschikkingen inzake weigering tot toelating van iemand tot een tentamen en beschikkingen inzake de weigering, toelating, of voortzetting van het volgen van onderwijs op grond van zijn kennen of kunnen. Dit impliceert dat, ambtelijk, gedacht werd dat de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen strikt geïnterpreteerd zou moeten worden. Er was immers uitbreiding van de bepaling nodig om hier ook beschikkingen inzake toelating onder te laten vallen. Deze uitgebreide uitzondering is er, zoals gezegd, niet gekomen. Wel is in de rechtspraak de vraag aan de orde gekomen of onder de uitzondering voor beoordelingsbeschikkingen ook beschikkingen inzake toelating vallen.
In de Wet AROB zijn slechts beoordelingsbeslissingen uitgezonderd van beroep. Tevens werden vrijwel alle onderwijswetten op de negatieve lijst geplaatst, hierdoor vielen beschikkingen genomen op grond van deze wetten niet onder de Wet AROB. De onderwijswetten bevatten logischerwijs de meeste grondslagen voor het nemen van beslissingen inzake examens. De uitzondering voor beoordelingsbeslissingen was hierdoor alleen van toepassing op beoordelingsbeslissingen genomen krachtens andere wetten, bijvoorbeeld beschikkingen inzake het rijexamen. Ambtelijk was men bij het ministerie van Justitie wel van mening dat het nuttig was om deze uitzondering voor beoordelingsbeslissingen op te nemen in de Wet AROB. Aangenomen werd dat de negatieve lijst zou vervallen na vijf jaar. Daardoor zouden ook de onderwijswetten onder de Wet AROB komen te vallen, hierdoor zou de betekenis van de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen aanzienlijk toenemen.5