Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.5.2
8.5.5.2 Wanbeleid vestigt geen aansprakelijkheid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652418:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2005 (r.o. 3.8), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus).
Glasz 1995, p. 28-29; Slagter 2003, p. 466-467. Zie ook De Witt Wijnen 1997, p. 103.
Zie ook Maeijer 1991, p. 14; Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 763-764, voetnoot 32.
Dorresteijn 1996, p. 57.
Wezeman 1998, p. 290, met verwijzingen naar jurisprudentie. Zie ook Raaijmakers 1990, p. 173; Van Vliet 1990b, p. 805; Van den Hoek, in: Van Schilfgaarde e.a. 1986, p. 127; Maeijer (onder 2) in zijn annotatie bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671 (Text Lite).
Zie ook reeds OK 7 december 1989 (r.o. 4.13.5), NJ 1990/242 (Bredero).
Asser 1997, p. 65-66; Veenstra 2010, p. 255.
Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999 (r.o. 16), JOR 1999/142, m.nt. G. van Solinge (Verto/Drenth).
Van Calker 2017, p. 535-539 en p. 543, met verwijzingen.
Situaties als in HR 23 november 2012 (r.o. 3.4.1-3.4.2), NJ 2013/302, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/40, m.nt. W.J.M. van Andel & K. Rutten (Spaanse villa) uitgesloten.
HR 10 januari 1990 (r.o. 7.2), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem), onder verwijzing naar Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, 6, p. 14.
Wanbeleid betekent niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor het wanbeleid, zo oordeelde de Hoge Raad in Laurus.1 Wanbeleid betekent ook niet kennelijk onbehoorlijk bestuur van het bestuur (of kennelijk onbehoorlijk toezicht van de raad van commissarissen) als collectief gesteld, zoals voor de Laurus-beschikking wel werd gesteld door onder meer Glasz en Slagter.2 Wanbeleid en kennelijk onbehoorlijk bestuur moeten van elkaar worden onderscheiden.3 In de enquêteprocedure staan beleidsdoelstellingen, beleidsvorming en beleidsuitvoering van de rechtspersoon centraal. Niet enkel het bestuur, maar verschillende organen van de rechtspersoon kunnen daarin een rol hebben. Wanbeleid hoeft ook niet steeds samen te gaan met benadeling van schuldeisers of de rechtspersoon.
Dit neemt niet weg dat er gevallen van wanbeleid mogelijk zijn die kunnen samenvallen met het oordeel dat van strijd met de wet, statuten of redelijkheid en billijkheid, onbehoorlijke taakvervulling, kennelijk onbehoorlijk bestuur of onrechtmatige daad sprake is.4 Wanbeleid wegens de verstrengeling van de belangen van de rechtspersoon met de bestuurders in privé of wanbeleid wegens de publicatie van ernstig misleidende jaarrekeningen kan bijvoorbeeld ook kwalificeren als kennelijk onbehoorlijk bestuur.5 Met wanbeleid staat het kennelijk onbehoorlijk bestuur echter niet vast: de civiele rechter moet zelfstandig beoordelen wat de betekenis is van het oordeel wanbeleid van de rechtspersoon voor de aansprakelijkheid van individuele functionarissen.6 Overigens staat het oordeel wanbeleid evenmin in de weg aan het (succesvol) voeren van een disculpatieverweer door een aangesproken bestuurder of commissaris.7
Het is goed mogelijk dat de civiele rechter op basis van hetzelfde feitencomplex als waaruit de Ondernemingskamer wanbeleid concludeert tot onbehoorlijke taakvervulling komt. Dat geldt ook als de Ondernemingskamer juist uit dit feitencomplex afleidt dat geen sprake is van wanbeleid. Zo overwoog het Hof ’s-Gravenhage in Verto/Drenth:
‘Het hof ziet in het in deze aansprakelijkheidsprocedure aangevoerde geen aanleiding om over het feitenmateriaal anders te oordelen dan de OK; op grond van de overwegingen van de OK onder 4.1. tot en met 4.4., met de daarbijhorende verwijzingen naar de standpunten van partijen en het rapport van onderzoekers, – welke overwegingen het hof hier in zoverre overneemt – gaan de aan geïntimeerden verweten gedragingen (…) niet op, c.q. leveren zij, indien al vaststaand, niet een zodanig ernstig verwijt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in 2:9 BW.’8
Uit empirisch onderzoek van Van Calker blijkt dat de oordelen wanbeleid in de praktijk vrijwel gelijklopen met aansprakelijkheidsoordelen.9 Als mogelijke verklaring daarvoor geeft hij dat wanbeleid en aansprakelijkheid beide een voldoende ernstige vorm van ongewenst handelen vergen om de kwalificatie van de norm te rechtvaardigen, waarmee deze normen volgens hem in materiële zin gelijk oplopen. Bestuurdersaansprakelijkheid vergt immers steeds een ernstig verwijt;10 wanbeleid vergt steeds een fout van voldoende ernst.11