De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.5.1:8.5.5.1 Inleiding
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.5.1
8.5.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652187:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2005 (r.o. 3.8), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus).
Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999 (r.o. 7), JOR 1999/142, m.nt. G. van Solinge (Verto/Drenth).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor in par. 8.4.2 betoogde ik reeds dat aan het oordeel wanbeleid in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure geen gezag van gewijsde toekomt. In Laurus oordeelde de Hoge Raad wel dat de vaststelling van de Ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is, bindend is voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht of gevorderd is hebben geconcludeerd, ofwel daartegen verweer hebben gevoerd.1 Mij lijkt dat de Hoge Raad hiermee niet meer kan hebben bedoeld dan dat het oordeel wanbeleid behoudens cassatie kracht van gewijsde heeft verkregen voor de rechtspersoon die voorwerp van enquête is en de in de tweede fase verschenen bestuurders en commissarissen. In een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure is dit in theorie echter van weinig belang, omdat dit niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor het wanbeleid betekent. Het oordeel wanbeleid kan ook niet steeds worden herleid tot de in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure aangesproken bestuurder of commissaris. Een verdergaande bijzondere bewijswaarde dan de kracht van gewijsde heeft het oordeel wanbeleid mijns inziens niet. De bewijskracht van de enquêtebeschikking, inclusief het oordeel wanbeleid, is slechts vrij.
Ook als de Ondernemingskamer oordeelt dat geen sprake is geweest van wanbeleid, geldt het vorenstaande. Uit Verto/Drenth volgt dat het eenmaal gegeven en niet meer aantastbare, en in zoverre bindende, oordeel van de Ondernemingskamer over wanbeleid of geen wanbeleid van de rechtspersoon van belang kan zijn voor een latere aansprakelijkheidsprocedure, maar de ter vaststelling van aansprakelijkheid geadieerde rechter moet zelfstandig beoordelen in welke mate het uitgesproken oordeel van de Ondernemingskamer van betekenis is voor de individuele rol en aansprakelijkheid van de bestuurder of commissaris.2
Ik maak hierna enige opmerkingen over de betekenis van Laurus voor de relatie tussen wanbeleid en aansprakelijkheid (par. 8.5.5.2) en de bewijswaarde van de door de Ondernemingskamer vastgestelde verantwoordelijkheid voor het wanbeleid of onjuist beleid (par. 8.5.5.3). Hierna bespreek ik de mogelijkheden van conservatoir verhaalsbeslag (par. 8.5.5.4) en de provisionele vordering tot schadevergoeding (par. 8.5.5.5) op grond van het oordeel wanbeleid.